ECLI:NL:RBALK:2005:AV1128

Rechtbank Alkmaar

Datum uitspraak
17 oktober 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
178380 CV EXPL 05-154
Instantie
Rechtbank Alkmaar
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.P. van Vollenhoven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BWWet inkomstenbelasting 2001 Art. 2.5Wet inkomstenbelasting 2001 Art. 3.6Wet inkomstenbelasting 2001 Art. 3.76Wet inkomstenbelasting 2001 Art. 7.2
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering herstelkosten na heiwerkzaamheden nabij boerderij wegens ontbreken causaal verband

Eiser vordert vergoeding van herstel- en expertisekosten wegens scheurvorming aan zijn boerderij, die hij toeschrijft aan heiwerkzaamheden uitgevoerd door gedaagde op circa 10 meter afstand. Hij stelt dat gedaagde onzorgvuldig handelde door geen vooropname te verrichten en een trillingsarme funderingsmethode na te laten.

Gedaagde betwist het causaal verband en voert verweer tegen de omvang van de schade en de incassokosten. De rechtbank oordeelt dat het ontbreken van een vooropname niet leidt tot omkering van de bewijslast, mede omdat eiser geen na-opname heeft verricht. Ook is niet vastgesteld dat de scheurvorming kort na de werkzaamheden is ontstaan.

De deskundige van eiser concludeert een oorzakelijk verband, maar gedaagde voert gemotiveerd verweer, onder meer over de grondsoort en het tijdsverloop. De rechtbank acht de stellingen van eiser onvoldoende onderbouwd en wijst de vordering af. Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens scheurvorming wordt afgewezen wegens ontbreken causaal verband en onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR
Sector Kanton
Locatie Hoorn
Zaaknr/rolnr.: 178380 CV EXPL 05-154
Uitspraakdatum: 17 oktober 2005
Vonnis in de zaak van:
[eiser], wonende te Hoorn
eisende partij
verder ook te noemen: [eiser]
gemachtigde: mr. M.P. Middendorf, medewerker van ARAG-Nederland, Algemene Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., kantoorhoudende te Leusden
tegen
1. de vennootschap onder firma Aannemersbedrijf West-Friesland V.O.F., gevestigd [adres] Westwoud;
2. [gedaagde 2], vennoot van gedaagde sub 1, wonende [adres];
3. [gedaagde 3], vennoot van gedaagde sub 1, wonende [adres];
gedaagde partijen
verder ook te noemen in enkelvoud: aannemersbedrijf West-Friesland
gemachtigde: mr. J.H. Tuit, advocaat te Almere
Het procesverloop
[eiser] heeft een vordering ingesteld, zoals omschreven in de dagvaarding d.d. 4 januari 2005 met producties.
Aannemersbedrijf West-Friesland heeft onder overlegging van producties bij antwoord verweer gevoerd.
Vervolgens is gediend van repliek (met productie) en dupliek.
De inhoud van de processtukken geldt als hier ingelast.
Ten slotte is heden (nader) uitspraak bepaald.
De uitgangspunten
Als erkend, dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken, zijn in onderhavige procedure de navolgende uitgangspunten in rechte vast komen te staan.
Medio 1998 zijn door aannemersbedrijf West-Friesland heiwerkzaamheden (in totaal zijn 26 heipalen van 18 meter lang verwerkt) uitgevoerd voor de bouw van een kantoorpand op een perceel grond grenzend aan het perceel van [eiser]. Tussen beide percelen is een kavelsloot gelegen. De kortste afstand tussen de panden bedraagt ongeveer 10 meter. In 2002 is scheurvorming in de boerderij van [eiser] geconstateerd.
De standpunten van partijen
Stellende dat aannemersbedrijf West-Friesland in ernstige mate in strijd met de zorgvuldigheid, welke zij bij het uitvoeren van haar (bouw- en) heiwerkzaamheden in acht had dienen te nemen, en aldus onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, vordert [eiser] veroordeling van aannemersbedrijf West-Friesland tot vergoeding van de door [eiser] als gevolg van de door aannemersbedrijf West-Friesland uitgevoerde werkzaamheden geleden schade.
In het bijzonder heeft [eiser] aangevoerd dat de heiwerkzaamheden slechts op 10 meter afstand van zijn boerderij hebben plaatsgevonden, waardoor het achterwege laten van een vooropname (en onderzoek naar de fundering van de stolpboerderij van [eiser]) als onzorgvuldig dient te worden gekwalificeerd en omkering van de bewijslast toegepast zou dienen te worden.
Er is op gewezen dat verzuimd is gebruik te maken van een trillingsarme funderingsmethode en dat in weerwil van een toegewezen schorsingsverzoek en bijbehorende bouwstop de heiwerkzaamheden doorgegaan zijn.
[Eiser] heeft gesteld dat het causaal verband blijkt uit de inhoud van een door het Zuid Nederlands Expertisebureau B.V. te Breda uitgevoerde contra-expertise, waarbij registerexpert F.A. Olberts heeft aangegeven dat gezien de aard van de scheurvorming sprake is van een oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden van aannemersbedrijf West-Friesland en de door [eiser] geleden schade.
De schade is door [eiser] gesteld op € 3.239,00 aan kosten voor herstel en € 1.141,21 aan expertisekosten.
Ook is aanspraak gemaakt op buitengerechtelijke incassokosten.
De vordering is uitdrukkelijk beperkt tot € 5.000,00 onder afstand van het meerdere.
Aannemersbedrijf West-Friesland heeft verweer gevoerd.
Uitdrukkelijk is betwist dat de door [eiser] gereclameerde scheurvorming een gevolg is van de uitgevoerde heiwerkzaamheden ter plaatse.
Subsidiair is verweer gevoerd tegen de omvang van de schade.
De verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten is betwist.
De beoordeling
Vast is komen te staan dat [eiser] in 2002 scheurvorming aan zijn boerderij heeft geconstateerd.
Naar het oordeel van de kantonrechter bestaat er onduidelijkheid over het moment waarop die scheurvorming is ontstaan. Noch is uit te sluiten, noch is vast te stellen dat de scheurvorming (ruim) voor 2002 ontstaan is.
Onder meer gelet op deze onduidelijkheid laat de kantonrechter de vraag naar verjaring hier nu buiten beschouwing.
Door bedoelde onduidelijkheid wordt ook de vraag naar onzorgvuldig, onrechtmatig handelen bemoeilijkt. Naar het oordeel van de kantonrechter kan die onrechtmatigheid (voor zover zulks van de kant van [eiser] betoogd zou zijn) niet reeds worden gebaseerd op het achterwege laten van een vooropname en/of onderzoek naar de fundering van de boerderij.
Enige verplichting daartoe is niet gebleken, ook niet nu vastgesteld is dat de afstand tussen de plaats van uitvoering van de heiwerkzaamheden en de locatie van de boerderij zo'n 10 meter bedroeg.
Van een concrete bouwstop, opgelegd aan aannemersbedrijf West-Friesland is evenmin gebleken.
Naar het oordeel van de kantonrechter zou eventueel onrechtmatig handelen in casu slechts aangenomen kunnen worden op basis van vast te stellen gevolgen van het handelen, waardoor de onzorgvuldigheid zou komen vast te staan.
Terzake de bewijslastverdeling ten aanzien van de causaliteit is de kantonrechter van oordeel dat als uitgangspunt -in het bijzonder ten aanzien van het 'conditio sine qua non' verband- dient te gelden dat de benadeelde die het causaal verband stelt, dit bij tegenspraak in beginsel moet bewijzen.
[eiser] heeft betoogd dat in de onderhavige zaak de bewijslast omgekeerd zou dienen te worden wegens het door aannemersbedrijf West-Friesland achterwege laten van een vooropname.
De kantonrechter deelt deze visie niet.
Een vooropname dient er in het algemeen toe om bij constatering van schade (bij na-opname na voltooiing van de werkzaamheden) aan te kunnen tonen dat deze in die zin nieuw is, dat deze er ten tijde van de vooropname nog niet was.
In zoverre kan een vooropname van belang zijn in het kader van de vraag naar causaal verband.
Bij gebreke aan een vooropname stond het [eiser] in deze zaak echter vrij een na-opname te (laten) verrichten. Indien alsdan scheurvorming zou zijn geconstateerd, zou zeer wel denkbaar zijn geweest dat dan het gebrek aan een vooropname voor risico van de aannemer zou zijn gebracht.
Van een na-opname is niet gebleken. In ieder geval is destijds geen schade geconstateerd.
De kantonrechter acht het achterwege laten van een vooropname onder de omstandigheden van deze zaak niet zodanig onzorgvuldig, dat het een omkering van de bewijslast tot gevolg zou moeten hebben.
[Eiser] heeft de scheurvorming in 2002 geconstateerd. Gelet op het verstrijken van een periode van 4 jaren tussen heiwerkzaamheden en de constatering van de schade is een conditio sine qua non - verband al niet enkel en alleen op basis van de schadeconstatering aan te nemen. (Dit zou overigens ook niet anders zijn in geval van een vooropname).
[Eiser] heeft betoogd dat het causaal verband kan worden aangenomen op grond van de rapportage van F.A. Olberts, die uit de aard van de scheurvorming tot het oorzakelijk verband concludeert.
Aannemersbedrijf West-Friesland heeft tegen deze conclusie uitdrukkelijk en gemotiveerd verweer gevoerd, allereerst middels aanmerkingen op het deskundigenrapport. Voorts is aangegeven dat indien heiwerkzaamheden invloed op de omgeving uitoefenen middels trillingen die zich via het maaiveld verplaatsen, dit alleen direct (in tijd) van invloed kan zijn op omliggende constructies en dat de andere verschijningsvorm van invloed van heiwerkzaamheden op de omgeving, te weten: mogelijke verdichting van omliggende grond, zich alleen voordoet bij korrelige grondsoorten.
Een en ander is door [eiser] onvoldoende gemotiveerd weersproken.
In rechte kan ervan worden uitgegaan dat de grondsoort ter plaatse als klei is te kwalificeren.
De mogelijkheid van verdichting van de grond c.q. zetting als oorzaak van de ontstane scheurvorming is hierdoor in onderhavige zaak onaannemelijk te achten. In ieder geval is zulks door [eiser] in onvoldoende mate aangetoond.
Voor zover trillingen de scheurvorming veroorzaakt zouden (kunnen) hebben, is aan te nemen dat in dat geval de scheurvorming reeds enige tijd na de werkzaamheden geconstateerd had kunnen worden.
[Eiser] heeft gesteld dat destijds hevige trillingen door hem zijn waargenomen. Volgens aannemersbedrijf West-Friesland zijn dergelijke constateringen niet door [eiser] gemeld.
Naar het oordeel van de kantonrechter had het, indien [eiser] destijds inderdaad zodanig heftige trillingen zou hebben bemerkt, op zijn weg gelegen om de aannemer hiervan op de hoogte te brengen (teneinde deze in de gelegenheid te stellen onderzoek te doen) en/of zelf onderzoek te doen naar de gevolgen voor zijn boerderij. Dit is kennelijk nagelaten, nu scheurvorming pas in 2002 is vastgesteld.
Op grond van een en ander dient de kantonrechter er van uit te gaan dat in rechte geen scheurvorming vrij kort na de werkzaamheden kan worden vastgesteld. De kantonrechter is van oordeel dat dit voor risico van [eiser] dient te komen.
Naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden van de Boer doen hieraan niet af.
Nog opgemerkt wordt dat de door [eiser] aangehaalde deskundige in 2004 in zijn rapport het heeft over de versheid van de scheurvorming. Hoewel niet nader toegelicht geeft de term in ieder geval niet de indruk dat deze scheurvorming al zo'n 6 jaar eerder zou zijn ontstaan.
Bovenstaande betekent dat enerzijds niet aangenomen kan worden dat de scheurvorming al vrij direct bij/na de heiwerkzaamheden zou zijn ontstaan, terwijl anderzijds de optie van verdichting/zetting in verband met de grondsoort onaannemelijk moet worden geacht.
Nu [eiser] op geen enkel punt van zijn stellingen voldoende gespecificeerd en geconcretiseerd bewijsaanbod heeft gedaan, zal de kantonrechter op grond van al het bovenstaande het gevorderde als onvoldoende gegrond afwijzen.
Derhalve is ook de nevenvordering niet toewijsbaar.
[Eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
De beslissing
De kantonrechter:
Wijst de vordering af.
Veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die tot heden voor aannemersbedrijf West-Friesland worden vastgesteld op een bedrag van € 540,00 voor salaris van de gemachtigde van aannemersbedrijf West-Friesland, waarover [eiser] geen BTW verschuldigd is.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.P. van Vollenhoven, kantonrechter, bijgestaan door de griffier en op 17 oktober 2005 in het openbaar uitgesproken.
De griffier
De kantonrechter