Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBALK:2006:AX4059

Rechtbank Alkmaar

Datum uitspraak
24 mei 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
87555/HA ZA 06-395
Instantie
Rechtbank Alkmaar
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 99 RvArt. 101 RvArt. 107 RvArt. 108 RvArt. 109 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwijzing naar relatief bevoegde rechtbank bij consumentenovereenkomst en relatieve onbevoegdheid

In deze zaak vordert DSB Bank N.V. tegen twee gedaagden, waarvan één zonder bekende woon- of verblijfplaats en de ander woonachtig te Tilburg, een uitspraak. De rechtbank beoordeelt de relatieve bevoegdheid op grond van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en stelt vast dat het hier een consumentenovereenkomst betreft.

Volgens artikel 110 lid 1 Rv Pro moet de rechter ook ambtshalve de relatieve bevoegdheid toetsen. De forumkeuze in algemene voorwaarden is in consumentenzaken niet bindend (art. 108 lid 2 Rv Pro). Daarom geldt de hoofdregel van artikel 99 Rv Pro dat de rechter van de woonplaats van de gedaagde bevoegd is. Voor gedaagde 2 is dat de rechtbank Breda, gezien zijn woonplaats Tilburg.

Gedaagde 1 heeft geen bekende woon- of verblijfplaats, waardoor artikel 99 Rv Pro niet direct een bevoegd rechter aanwijst. Artikel 107 Rv Pro bepaalt dat als één rechter bevoegd is ten aanzien van één gedaagde, deze ook bevoegd is voor de andere gedaagde, mits er samenhang is tussen de vorderingen. De rechtbank Alkmaar oordeelt dat dit hier niet leidt tot bevoegdheid van de rechtbank Alkmaar, omdat artikel 109 Rv Pro, dat de restrechter aanwijst, restrictief moet worden toegepast.

De rechtbank verklaart zich daarom onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Breda. De procedurele gevolgen van deze verwijzing worden volgens artikel 110 lid 2 Rv Pro geregeld, waarbij de partijen de zaak bij de rechtbank Breda opnieuw aanhangig moeten maken.

Uitkomst: De rechtbank Alkmaar verklaart zich relatief onbevoegd en verwijst de zaak naar de rechtbank Breda.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK TE ALKMAAR
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 87555 / HA ZA 06-395
datum: 24 mei 2006
Vonnis van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken
in de zaak van:
de naamloze vennootschap DSB BANK N.V.,
gevestigd te Wognum,
eiseres bij dagvaardingen van 24 januari 2006 en 2 februari 2006,
procureur mr. R.K.J. van Zomeren,
tegen
1. [GEDAAGDE 1],
zonder bekende woon- of verblijfplaats,
2. [GEDAAGDE 2],
wonende te Tilburg,
gedaagden,
n i e t v e r s c h e n e n .
1. De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de aan dit vonnis in fotokopie gehechte en als hier ingelast geldende dagvaardingen
- het tegen gedaagden verleende verstek.
1.2 Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
2.1 In het onderhavige geval is sprake van een consumentenovereenkomst in de zin van artikel 101 Wetboek Pro van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv).
Ingevolge artikel 110 lid 1 Rv Pro, zoals dat luidt sinds 15 oktober 2005, dient de rechter in een zaak betreffende een dergelijke overeenkomst ook zonder daartoe strekkend verweer te beoordelen of hij relatief bevoegd is.
2.2 Ingevolge artikel 108, tweede lid Rv heeft in consumentenzaken een vóór het ontstaan van het geschil gemaakte forumkeuze (bijvoorbeeld in algemene voorwaarden) geen gevolg, zodat van het beding in de algemene voorwaarden die door de eisende partij worden gehanteerd ter bepaling van de relatief bevoegde rechter niet kan worden uitgegaan. Daarom zal moeten worden teruggegrepen op de hoofdregel van artikel 99 Rv Pro, te weten dat bevoegd is de rechter van de woonplaats van de gedaagde.
De toepassing van deze hoofdregel ten aanzien van gedaagde sub 2 levert op dat als relatief bevoegde rechter moet worden aangemerkt de rechtbank te Breda, nu gedaagde sub 2 woonachtig is te Tilburg en Tilburg is gelegen in het arrondissement Breda.
2.3 Ten aanzien van gedaagde sub 1, die hier te lande noch in het buitenland een bekende woon- of verblijfplaats heeft, leidt toepassing van de hoofdregel van artikel 99 Rv Pro niet tot aanwijzing van een relatief bevoegde rechter. In artikel 107 Rv Pro is evenwel bepaald dat indien een rechter ten aanzien van één van de gezamenlijk in het geding betrokken gedaagden bevoegd is, die rechter ook ten aanzien van de overige gedaagden bevoegd is, mits - zoals hier het geval is - tussen de vorderingen tegen de onderscheiden gedaagden een zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.
2.4 Nu op grond van het bepaalde in artikel 99 Rv Pro in verbinding met artikel 107 Rv Pro ten aanzien van gedaagde sub 1 een relatief bevoegde rechter is aan te wijzen, dient het bepaalde in artikel 109 Rv Pro, dat de rechter van de woonplaats van eiser in het aldaar geregelde geval als relatief bevoegde rechter aanwijst, buiten toepassing te blijven.
Bedoeld artikel 109 wijst Pro immers een relatief bevoegde rechter aan (de zogenoemde restrechter) voor uitsluitend die gevallen waarin de voorafgaande artikelen van de betreffende afdeling geen relatief bevoegde rechter aanwijzen. Die situatie doet zich hier niet voor.
2.5 Artikel 109 Rv Pro dient als sluitstuk van de bevoegdheidsregeling restrictief te worden toegepast, zodat er evenmin een wettelijke basis is gegeven om de bevoegdheid ten aanzien van gedaagde sub 1 op dit artikel te baseren en de rechtbank te Alkmaar ten aanzien van gedaagde sub 2 bevoegd te achten met toepassing van de samenhangbepaling van artikel 107 Rv Pro.
2.6 Op voormelde gronden zal de rechtbank de zaak dan ook verwijzen naar de relatief bevoegde rechter, zijnde de rechtbank te Breda. Ingevolge het bepaalde in artikel 110 lid 2 Rv Pro is op de gang van zaken na verwijzing het bepaalde in artikel 74 lid 1 en Pro lid 3 eerste volzin Rv van toepassing. Op grond daarvan is voor voortzetting vereist dat één van de partijen de overige partijen bij exploit moeten oproepen en de zaak bij de rechter naar wie verwezen is aanhangig moet maken op een door haarzelf te kiezen zittingsdag, waarbij evenwel de voor dagvaarding voorgeschreven termijnen in acht genomen moeten worden.
3. De beslissing
De rechtbank
- verklaart zich onbevoegd van de vordering kennis te nemen,
- verwijst de zaak in de stand waarin zij zich bevindt, naar de rechtbank te Breda, sector civiel recht.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.B. Littooy en in het openbaar uitgesproken op woensdag 24 mei 2006.