ECLI:NL:RBALK:2007:BB2738
Rechtbank Alkmaar
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering wegens ontbreken volmacht tot opdracht namens onderneming
Op of omstreeks 25 november 2004 gaf een derde, handelend namens een onderneming van gedaagde, opdracht tot levering en plaatsing van een rolhek. De eiser leverde en plaatste het hek en factureerde de onderneming. De eiser vorderde betaling van het restantbedrag van de factuur van gedaagde, stellende dat hij mocht vertrouwen op de bevoegdheid van de derde om namens de onderneming te handelen.
Gedaagde voerde verweer dat zij niet wist van de opdracht en deze niet had goedgekeurd. De rechtbank oordeelde dat niet van belang is of de derde zelf de schijn van bevoegdheid heeft gewekt, maar of gedaagde door verklaringen of gedragingen vertrouwen heeft gewekt dat de derde bevoegd was of dat zij de opdracht nadien heeft bekrachtigd. Dit was onvoldoende gesteld.
De affectieve relatie tussen gedaagde en de derde was niet relevant voor het aannemen van volmacht. Gedaagde had geen contact met eiser en wist niet van de bestelling. Het niet uitschrijven van de onderneming bij de Kamer van Koophandel en het nalaten maatregelen te nemen na vertrek van gedaagde was onvoldoende om instemming aan te nemen.
De rechtbank concludeerde dat eiser ten onrechte gedaagde aansprakelijk stelde en verwees naar de derde voor de toereikendheid van de volmacht. De vordering werd afgewezen en eiser werd in de proceskosten veroordeeld.
Uitkomst: De vordering tot betaling wordt afgewezen wegens ontbreken van volmacht en bekrachtiging door gedaagde.