ECLI:NL:RBALK:2007:BB9143

Rechtbank Alkmaar

Datum uitspraak
16 november 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07/2470, 07/2618, 07/2762
Instantie
Rechtbank Alkmaar
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 WROArt. 7:12 AwbArt. 8:81 AwbArt. 6:13 AwbArt. 44 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schorsing bouwvergunning bloembollenloods en woonhuis wegens onvoldoende ruimtelijke motivering

De rechtbank Alkmaar behandelde het geschil over de bouwvergunning voor een bloembollenloods en woonhuis op een perceel in een open agrarisch gebied. Verzoekers maakten bezwaar tegen de vergunning, stellende dat de bouw niet noodzakelijk was voor de bestemming en dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat de noodzaak voor de bouw niet voldoende was gemotiveerd en dat de ruimtelijke onderbouwing geen deugdelijke planologische motivering bood. Het bouwplan wijkt af van het bestemmingsplan en overschrijdt bouwvoorschriften, terwijl het mediationtraject en toekomstige beleidsplannen geen ruimtelijke rechtvaardiging bieden.

Gezien de ernstige afwijking van het bestemmingsplan en de gebrekkige onderbouwing is de vergunning geschorst. Verzoekers die aantoonbaar belang hebben bij de zaak zijn ontvankelijk verklaard. Verzoeken om proceskostenveroordeling zijn deels toegewezen, deels afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het besluit tot verlening van de bouwvergunning is geschorst wegens onvoldoende motivering en gebrekkige ruimtelijke onderbouwing.

Uitspraak

RECHTBANK ALKMAAR
Sector Bestuursrecht
Zaaknummers: 07/2470 WW44
07/2618 WW44
07/2762 WW44
Uitspraak van de voorzieningenrechter
in de zaken van:
1. [naam],
wonende te Egmond aan den Hoef,
verzoeker,
2. [naam],
gevestigd te Bergen/wonende te Egmond aan den Hoef, Bergen en Alkmaar,
verzoekers,
3. [naam],
wonende te Bergen,
verzoekster,
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen,
verweerder.
Voorts neemt als partij aan het gedin[naam], vergunninghouder.
Ontstaan en loop van de zaak
Bij afzonderlijke besluiten van 26 september 2006 (verzonden op 29 september 2006) heeft verweerder, beslissende op daartoe op 31 augustus 2005 en 14 november 2005 ontvangen aanvragen, vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) en bouwvergunning verleend aan [naam] (hierna: vergunninghouder) voor het oprichten van een woonhuis met berging en voor het plaatsen van een bloembollenloods op het perceel plaatselijk bekend [plaatsnaam] ongenummerd te [plaatsnaam], kadastraal bekend [plaatsnaam], sectie [x], nummer [x].
Tegen deze besluiten is door verzoeker sub 1 bij brief van 9 november 2006, door verzoekers sub 2 bij brief van 6 november 2006 en door verzoekster sub 3 bij brief van 8 november 2006 bezwaar gemaakt.
Bij uitspraak van 8 december 2006, reg.nrs. WW44 06/3276 en 06/3404 en WW44 06/3277 en 06/3405, heeft de voorzieningenrechter desgevraagd de besluiten van 26 september 2006 geschorst tot zes weken na de beslissing op het bezwaarschrift van verzoeker sub 1 en verzoekers sub 2.
Bij besluit van 10 september 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder, in afwijking van het advies van de commissie van advies voor de bezwaarschriften van de gemeente Bergen van 24 april 2007, alle bezwaren ongegrond verklaard.
Verzoeker sub 1 heeft bij brief van 16 september 2007 tegen dit besluit beroep ingesteld. Verzoekers sub 2 en verzoekster sub 3 hebben bij brieven van respectievelijk 27 september 2007 en 16 oktober 2007 beroep ingesteld.
Voorts hebben verzoeker sub 1, verzoekers sub 2 en verzoekster sub 3 bij brieven van respectievelijk 16 en 27 september en 16 oktober 2007 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 2 november 2007, waar verzoeker sub 1 in persoon is verschenen. Namens verzoekers sub 2 is verschenen [naam], voorzitter van de Stichting Behoud Historisch Landschap Bergen-Egmond-Schoorl (hierna: de Stichting) en bijgestaan door [naam], werkzaam bij de Milieufederatie Noord-Holland. Verzoekster sub 3 is in persoon verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde mr. [naam]. Vergunninghouder is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. [naam], advocaat te Amsterdam.
Motivering
1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
2. Het bouwplan waarvoor vrijstelling en bouwvergunning is verleend ziet op het oprichten van een woonhuis met een aparte berging en een bloembollenloods op het eerder genoemde perceel. Het woonhuis, [nummer],41 meter lang en 11,31 meter breed, bestaat uit een begane grond en een kapverdieping. De bouw- en goothoogte bedragen respectievelijk 7,89 en 2,86 meter. De woning is aan de linkerzijde van de loods gesitueerd, met de berging schuin daarachter. De bloembollenloods is 64,7 meter lang en 30,13 meter breed en bestaat uit één grote ruimte. De bouw- en goothoogte bedragen 8, respectievelijk 5,65 meter.
3. Uit de door de Stichting overgelegde machtigingen blijkt dat een aantal bewoners, te weten [naam 1], [naam 2] en [naam 3], die de Stichting hebben gemachtigd namens hen beroep in te stellen en een verzoek om een voorlopige voorziening in te dienen, de Stichting niet eerder hebben gemachtigd om namens hen een bezwaarschrift in te dienen. Voorts is niet gebleken dat deze bewoners destijds zelf bezwaar hebben gemaakt tegen de besluiten van 26 september 2006, terwijl ook niet is gebleken dat verzoekers destijds geen bezwaar hebben kunnen maken.
4. Ingevolge artikel 6:13 van Pro de Awb kan onder meer geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen bezwaar heeft gemaakt.
Gelet op dit artikel is er een reële kans aanwezig dat het beroep van voornoemde bewoners in de beroepsprocedure niet-ontvankelijk zal worden verklaard. Om deze reden zal het verzoek om voorlopige voorziening van deze bewoners worden afgewezen.
5. De voorzieningenrechter dient voorts ambtshalve de vraag te beantwoorden of verweerder de overige bezwaarmakers terecht ontvankelijk heeft verklaard.
6. Gelet op de in de statuten van de Stichting opgenomen doelstelling is de Stichting terecht ontvankelijk verklaard in haar bezwaar.
Voorts hebben verzoeker sub 1 en de verzoekers die de Stichting hebben gemachtigd namens hen op te treden allemaal in meer of mindere mate zicht op de locatie van het bouwplan.
Dit aspect, in samenhang bezien met de forse ruimtelijke uitstraling van het bouwplan in een landschap met een overwegend open karakter, vrij uitzicht en nauwelijks bebouwing, maakt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat verzoeker sub 1 en de verzoekers namens wie de Stichting optreedt allemaal meer dan anderen in hun belangen worden geraakt. Naar verwachting zal hun woon- en leefomgeving door de bouwplannen worden beïnvloed. Verweerder heeft voormelde verzoekers terecht ontvankelijk verklaard.
Verzoekster sub 3 is eigenaar van het pand aan de [adres] te [plaatsnaam]. Zij is zelf niet woonachtig in het pand. De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook verzoekster sub 3 terecht ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar gelet op de ligging van het pand ten opzichte van het bouwplan. Dit maakt dat ook zij een van anderen te onderscheiden belang heeft.
7. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder c, van de Woningwet mag de reguliere bouwvergunning slechts en moet deze worden geweigerd, indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zodanig plan zijn gesteld.
Ter plaatse vigeert het bestemmingsplan “Landelijk Gebied 1998”. Ingevolge dit plan rust op het betreffende perceel de bestemming ‘Open agrarisch gebied’.
Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn de gronden op de plankaart als zodanig aangewezen bestemd voor de uitoefening van een volwaardig agrarisch bedrijf alsmede voor het behoud van de ruimtelijke openheid.
Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften mogen op deze gronden uitsluitend ten dienste van en noodzakelijk voor de genoemde bestemmingen worden gebouwd:
a. bedrijfsgebouwen;
b. bedrijfswoningen;
c. (…)
d. bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Ingevolge artikel 5, derde lid, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, gelden voor het bouwen de nadere aanwijzingen op de plankaart en de volgende bepalingen:
a de goothoogte van enig gebouw mag niet meer dan 5 m en de bouwhoogte van enig gebouw mag niet meer dan 8 m bedragen (…); de dakhelling van enig gebouw bedraagt minimaal 20°.
b. de bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak en uitsluitend ten dienste van het ter plaatse gevestigde agrarisch bedrijf worden gebouwd, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte per bouwvlak van alle bouwvlakken die ten oosten van de Herenweg zijn gelegen niet meer dan 60% van het bouwvlak mag bedragen of maximaal 6000 m² indien het bouwperceel kleiner is dan 1 ha.
8. Vaststaat dat het bouwplan in strijd is met de op het perceel rustende bestemming voor zover deze ziet op het behoud van de ruimtelijke openheid en de bijbehorende bouwvoorschriften. Voorts worden de bouwwerken niet gebouwd binnen een bouwvlak en overschrijdt de goothoogte van de bloembollenloods de voorgeschreven maximale hoogtemaat. Teneinde realisering van het bouwplan niettemin mogelijk te maken heeft verweerder vrijstelling van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend.
Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.
9. De voorzieningenrechter stelt vast dat aan de formele vereisten om toepassing te geven aan artikel 19, eerste lid, van de WRO is voldaan en dat de vrijstellingsbevoegdheid in dit geval bij besluit van 1 februari 2005 door de raad van de gemeente Bergen is gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen.
10. Verzoekers kunnen zich met het bestreden besluit niet verenigen en hebben, kort en zakelijk weergegeven, onder meer de noodzaak van het oprichten van de bedrijfswoning en bedrijfsloods op de betreffende locatie betwist.
11. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting van 2 november 2007 het standpunt ingenomen dat de verleende vrijstelling ook ziet op het voorschrift dat de op te richten gebouwen noodzakelijk voor de bestemming moeten zijn. Dit standpunt is in strijd met het eerder door verweerder ter zitting van de voorzieningenrechter van 28 november 2006 ingenomen standpunt dat de vrijstelling niet op dat vereiste ziet. Uit het bestreden besluit en de onderliggende adviezen blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook niet dat vrijstelling is verleend van voornoemd voorschrift. De voorzieningenrechter stelt dan ook vast dat de vrijstelling hier niet op ziet.
12. Verweerder heeft in het bestreden besluit aangegeven de bebouwing noodzakelijk te achten nu vergunninghouder en zijn broer gezamenlijk gebruik maken van de bedrijfsbebouwing van de broer en vanwege de groei van de bedrijven het gezamenlijk gebruik van die bedrijfsbebouwing niet langer mogelijk en verantwoord is.
In de aanvullende ruimtelijke onderbouwing van BügelHajema adviseurs is aangegeven dat het volstrekt onlogisch en praktisch onmogelijk is om elders binnen of buiten de gemeente Bergen een bedrijfslocatie met bouwmogelijkheden te vinden. Voorts maakt de kwaliteit van het geleverde product en de ambachtelijke manier van kwaliteitsbeheersing het noodzakelijk dat vergunninghouder in de directe nabijheid van zijn bedrijf woont. Van belang is bovendien dat er toezicht wordt gehouden op het bedrijf wegens eventuele diefstal of brand en het gegeven dat leveranciers, afnemers en keuringsinstanties regelmatig op het bedrijf komen. DLV Bouw, Milieu en Techniek BV (hierna: DLV) heeft bij schrijven van 31 januari 2007 toegevoegd dat het verzoek van vergunninghouder om te mogen bouwen volstrekt gerechtvaardigd is. De bouw van een bedrijfswoning wordt vanuit het oogpunt van toezicht op teelt, bedrijfsprocessen en veiligheid niet alleen aangeraden maar zelfs zeer wenselijk geacht. Volgens een ongedateerd memo van RBOI adviesbureau voor ruimtelijk beleid ontwikkeling en inrichting (hierna: RBOI) kan het begrip noodzaak beter worden vervangen door het begrip doelmatigheid.
13. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is aldus onvoldoende gemotiveerd dat het bouwen noodzakelijk is voor de bestemming. Voor vergunninghouder is het wellicht wenselijk en praktisch de bebouwing op voornoemde plek te realiseren, maar dat daartoe een noodzaak zou bestaan, zoals volgens de planvoorschriften is vereist, kan uit de hiervoor weergegeven onderliggende stukken niet worden afgeleid. De stelling dat het begrip noodzaak beter zou kunnen worden vervangen door doelmatigheid maakt dit niet anders, nu dient te worden uitgegaan van de bestemmingsplanvoorschriften.
14. De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande reeds hierom van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand zal kunnen blijven nu het besluit op dit punt een deugdelijke motivering als bedoeld in artikel 7:12 van Pro de Awb ontbeert.
15. Door verzoekers is voorts, kort en zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit nog immer onvoldoende is.
16. De voorzienigenrechter stelt voorop dat naarmate de inbreuk op het geldende planologische regime groter is, er zwaardere eisen moet worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project. Gelet op de ingevolge het bestemmingsplan op het bouwperceel rustende bestemming en de bijbehorende bouwvoorschriften, is er sprake is van een ernstige afwijking van het plan.
17. De ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door een schrijven van 5 januari 2006 dat is opgesteld door BügelHajema adviseurs. Bovendien dient het schrijven van 19 februari 2007 volgens verweerder te worden gezien als een aanvullende ruimtelijke onderbouwing en is er verwezen naar het schrijven van DLV van 31 januari 2007 en naar een ongedateerd memo van RBOI. Genoemde stukken maken onderdeel uit van het bestreden besluit.
18. Zoals de voorzieningenrechter reeds eerder in zijn uitspraak van 8 december 2006 heeft overwogen, heeft verweerder blijkens de stukken veel waarde gehecht aan de uitkomst van een mediationprocedure tussen vergunninghouder, de provincie Noord-Holland en verweerder. Tussen deze partijen is uiteindelijk overeengekomen dat de onderhavige locatie voor het bouwplan van vergunninghouder de meest aanvaardbare locatie is. Uit de aanvullende ruimtelijke onderbouwing volgt dat het volgens verweerder uit het oogpunt van zorgvuldige transparantie noodzakelijk is om in de ruimtelijke onderbouwing het mediationtraject toe te lichten en dat tegen deze achtergrond het noemen van het mediationtraject een relevant element van de ruimtelijke onderbouwing is.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter staat niets verweerder eraan in de weg om het mediationtraject in de ruimtelijke onderbouwing toe te lichten. Echter, het toelichten van het mediationtraject kan niet worden beschouwd als planologische element dat kan bijdragen aan een goede ruimtelijke onderbouwing van het project als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO.
In de ruimtelijke onderbouwing van 5 januari 2006 is overwogen dat het bouwvlak waarin het bouwplan is gelegen, evenals de overige bouwvoorschriften, positief zijn bestemd in het voorontwerp “Correctieve herziening bestemmingsplan Landelijk gebied 1998”. Ter zitting van 2 november 2007 is duidelijk geworden, zoals ook in de aanvullende ruimtelijke onderbouwing van 19 februari 2007 is verwoord, dat het onderhavige bouwplan niet is meegenomen bij de correctieve herziening, omdat alleen die onderdelen van het bestemmingsplan zijn meegenomen die niet waren goedgekeurd. Gelet hierop kan de stelling van verweerder dat het bouwplan zou passen in het nieuwe gemeentelijke beleid omdat geanticipeerd wordt op de correctieve herziening (met een bouwvlak gesitueerd aan de [adres] ter weerszijden afgeschermd met een strook groenvoorziening), niet langer een argument zijn dat bijdraagt aan een goede ruimtelijke onderbouwing van het project.
In de ruimtelijke onderbouwing is voorts gesteld dat het bouwplan goed past binnen het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid.
De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verweerder niet beschikt over ruimtelijk beleid met betrekking tot het gebied waarin het onderhavige perceel is gelegen. Verweerder houdt in beginsel vast aan de uitgangspunten van het vigerende bestemmingsplan, waaronder het uitgangspunt dat met het toestaan van bebouwing in het open landschap terughoudend wordt omgegaan.
Niet in geschil is dat het gewenste gebruik van het perceel in overeenstemming is met de agrarische bestemming ervan. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter echter nog niet gegeven dat de vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf op dit perceel passend te achten is. Ook uit de omstandigheid dat verweerder in het onderhavige gebied ontwikkelingsmogelijkheden voor agrarische bedrijven voorstaat volgt dit niet. Verweerder heeft ter zitting nog aangegeven dat bebouwing op genoemd perceel ruimtelijk aanvaardbaar is, gelet op de voorschriften in het bestemmingsplan. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat de planvoorschriften weliswaar de mogelijkheid bieden nieuwe bouwvlakken ten behoeve van agrarische bedrijven aan te wijzen maar dat deze bevoegdheid slechts mag worden toegepast indien het een verplaatsing betreft van een agrarisch bedrijf uit de binnenduinrand naar de polder in het kader van de herinrichting en de realisering van de natuurdoelstelling van de binnenduinrand. Hieruit volgt dus niet dat het in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar is in de [plaatsnaam] een nieuw agrarische bedrijf te vestigen, en ook niet dat de vestiging op het onderhavige perceel ruimtelijk aanvaardbaar te achten is. De ruimtelijke onderbouwing schiet dus ook op dit punt nog altijd tekort.
19. Concluderend biedt de ruimtelijke onderbouwing naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter geen deugdelijke planologische motivering van het project. Het bestreden besluit is derhalve ook op dit punt in strijd met artikel 7:12 van Pro de Awb.
20. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is er een reële kans aanwezig dat het bestreden besluit in de beroepsprocedure niet in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat de verzoeken om een voorlopige voorziening moeten worden toegewezen en dat de werking van het bestreden besluit dient te worden geschorst, zoals hierna onder “beslissing” is vermeld. Gelet hierop behoeven de overige door verzoekers aangevoerde gronden geen bespreking meer.
21. Verzoeker sub 1 en verzoekers sub 2 hebben verzocht om verweerder te veroordelen in de proceskosten die zij redelijkerwijs hebben gemaakt. Hierover wordt als volgt overwogen.
22. Verzoeker sub 1 heeft verzocht om vergoeding van verletkosten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) tot een bedrag van
€ 737,52 (56 uren maal € 13,17). Uit de door verzoeker sub 1 bij het verzoek gevoegde toelichting volgt dat verzoeker 6 uur verlof heeft genomen om “te werken aan zijn beroepstukken” en op de dag van de zitting verlof heeft genomen mede ook ter voorbereiding van de zitting.
Als verletkosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking de kosten van tijdsverzuim als gevolg van het bijwonen van een zitting en de heen- en de terugreis. Het gaat dus niet, zo blijkt uit de toelichting op het Bpb, om tijdsverzuim door voorbereidende handelingen, zoals het opstellen of lezen van stukken (zie de Nota van Toelichting, Stb. 1993, 763). Gelet hierop worden de verletkosten, en daarmee het totaal van de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten van verzoeker sub 1, vastgesteld op € 53,88 (4 uur a € 13,47).
23. Verzoekers sub 2 hebben verzocht om vergoeding van de kosten van deskundige drs. [naam]. Deze kosten zien volgens de bijgevoegde specificatie op ondersteuning bij het opstellen van het bezwaarschrift, verzoek om voorlopige voorziening en het beroepschrift. Voor zover het verzoek ziet op vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten overweegt de voorzieningenrechter dat dit verzoek is ingediend nadat de beslissing op bezwaar is genomen. In zoverre dient het verzoek reeds op grond van artikel 7:15, derde lid, van de Awb te worden afgewezen.
Voor zover verzoekers sub 2 hebben verzocht om de in beroep gemaakte proceskosten overweegt de voorzieningenrechter dat deze kosten slechts voor vergoeding in aanmerking zouden kunnen komen in de beroepsprocedure.
Nu blijkens de specificatie het verzoek ziet op vergoeding van de kosten voor ondersteuning bij het opstellen van het verzoek om een voorlopige voorziening dient het verzoek te worden gelezen als verzoek om vergoeding van de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en niet als kosten van een deskundige. Nu het verzoekschrift echter op eigen naam door de Stichting is ingediend, komen de gevraagde kosten reeds hierom niet voor vergoeding in aanmerking.
Voor zover is verzocht om vergoeding van de kosten voor het opstellen van het historisch geografisch onderzoek en rapportage door historicus drs. [naam] is de voorzieningenrechter van oordeel dat deze kosten moeten worden opgevoerd in de bodemprocedure
Verzoekers sub 2 hebben voorts verzocht om vergoeding van “reiskosten 5 x [plaatsnaam-plaatsnaam]”. Deze reiskosten komen niet voor vergoeding in aanmerking nu niet is komen vast te staan dat dit reiskosten zijn van een partij of belanghebbende, zoals het Bpb voorschrijft. De overige door verzoekers sub 2 opgevoerde kosten in de vorm van secretariaatskosten komen ingevolge artikel 1 van Pro het Bpb niet voor vergoeding in aanmerking. Dit artikel geeft een limitatieve opsomming van de kostenposten waarop een vergoeding voor kosten van een procedure betrekking kan hebben. De voormelde kosten komen in deze opsomming niet voor.
Gelet op het vorenstaande komen verzoekers sub 2 niet voor vergoeding van proceskosten in aanmerking.
Beslissing
De voorzieningenrechter
- wijst de verzoeken om een voorlopige voor[naam 1][naam 2] en [naam 3] af;
- wijst de overige verzoeken om een voorlopige voorziening toe;
- schorst het besluit van 10 september 2007;
- bepaalt dat de gemeente Bergen aan verzoeker sub 1 en verzoekster sub 3 beiden het griffierecht ten bedrage van € 143,00 vergoedt en aan verzoekers sub 2 het griffierecht ten bedrage van € 285,00 vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de door verzoeker sub 1 gemaakte proceskosten vastgesteld op € 53,88;
- wijst de gemeente Bergen aan als de rechtspersoon die deze proceskosten moet vergoeden;
- bepaalt dat de proceskosten moeten worden voldaan aan verzoeker sub 1;
- wijst de verzoeken tot proceskostenveroordeling voor het overige af.
Deze uitspraak is gedaan op 16 november 2007 door mr. J.W. Vriethoff, voorzieningenrechter,
in tegenwoordigheid van mr. S.L. Toorenburg-Bovenkerk, griffier.
griffier rechter
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.