ECLI:NL:RBALK:2009:BH3927
Rechtbank Alkmaar
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing huwelijksgemeenschap wegens ontbreken gronden art. 1:109 BW
De man en vrouw zijn in 2008 getrouwd nadat zij elkaar hadden leren kennen op een psychiatrische afdeling. De man bracht een eigen woning in, die werd verhuurd, terwijl zij samenwoonden in de huurwoning van de vrouw. Kort na het huwelijk ontstonden conflicten, waarna de man vertrok en later werd veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf wegens het doden van een ex-vriendin.
Tijdens de detentie van de man ontstond onenigheid over de besteding van een bedrag van €50.000 dat kort na het huwelijk op de rekening van de man werd gestort, en over de overdracht van een auto. De man stelde dat de vrouw onder bewind stond en zonder zijn medeweten grote bedragen opnam en goederen verspilde, en verzocht opheffing van de huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:109 BW Pro.
De rechtbank oordeelde dat de transacties tot de ruzie met wederzijds goedvinden waren gedaan en dat er geen bewijs was dat de vrouw lichtvaardig schulden maakte of goederen verspilde. Ook was onvoldoende aangetoond dat zij handelingen verrichtte die indruisten tegen het bestuur van de man of dat zij weigerde inlichtingen te geven. De vrouw stond onder bewind en beheerde de financiën, waarbij de inkomsten werden gebruikt voor lasten en levensonderhoud.
De rechtbank wees het verzoek af en bepaalde dat elke partij de eigen kosten draagt. De man kon de benadeling van de gemeenschap meenemen in de echtscheidingsprocedure. Het vonnis is uitgesproken door rechter W.C. Oosterbroek op 14 januari 2009.
Uitkomst: Verzoek tot opheffing van de huwelijksgemeenschap wordt afgewezen; partijen dragen eigen kosten.