ECLI:NL:RBALK:2010:BL6706
Rechtbank Alkmaar
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot vestiging vruchtgebruik op nalatenschap na overlijden echtgenoot
Verzoekster, de langstlevende echtgenote van de overledene, verzocht de kantonrechter op grond van artikel 4:29 en Pro 4:30 BW te bepalen dat de kinderen van de overledene moeten meewerken aan de vestiging van vruchtgebruik op de goederen uit de nalatenschap, waaronder de woning, inboedel en andere goederen.
De kinderen voerden verweer dat slechts een onverdeeld aandeel in de woning tot de nalatenschap behoort en dat het testamentaire vruchtgebruik de wettelijke vestiging uitsluit. De kantonrechter verwierp dit verweer en oordeelde dat het begrip woning ruim moet worden uitgelegd en dat het testamentaire vruchtgebruik de wettelijke vestiging niet in de weg staat voor de periode tot het 60e levensjaar van verzoekster.
Verder stelde verzoekster dat zij behoeftig is omdat haar inkomen lager is dan haar vaste lasten en zij op grond van haar leeftijd weinig kans heeft op inkomensverbetering. De kantonrechter achtte dit voldoende voor toewijzing van het verzoek tot vestiging van vruchtgebruik op de overige goederen.
De kantonrechter veroordeelde de kinderen tot medewerking aan de vestiging van het vruchtgebruik binnen 30 dagen, onder verbeurte van een dwangsom, en wees de proceskosten toe aan verzoekster. Vragen over successierechten, schulden en hypotheekrente werden onbeantwoord gelaten en verwezen naar de afwikkeling van de nalatenschap en huwelijksgemeenschap.
Uitkomst: De kinderen worden veroordeeld tot medewerking aan de vestiging van vruchtgebruik op de nalatenschap ten behoeve van de langstlevende echtgenote binnen 30 dagen onder verbeurte van een dwangsom.