ECLI:NL:RBALK:2011:BP2153
Rechtbank Alkmaar
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ontneming wederrechtelijk voordeel na handel in cocaïne en gokken
De rechtbank Alkmaar heeft op 20 januari 2011 uitspraak gedaan in een zaak waarbij betrokkene werd geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering was gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betrof opbrengsten uit handel in cocaïne en soortgelijke strafbare feiten.
De officier van justitie had een bedrag van ruim €102.000,- gevorderd, gebaseerd op een eenvoudige kasopstelling van contante stortingen op de bankrekening van betrokkene. De rechtbank oordeelde echter dat deze berekening onvoldoende gefundeerd was, mede omdat geen nader onderzoek was verricht naar de herkomst van contante stortingen en de aard van de schulden op het 'pofbriefje'.
Betrokkene verklaarde gemiddeld 30 gram cocaïne per week te hebben verhandeld met een winst van ongeveer €18 per gram, wat resulteerde in een geschat wederrechtelijk voordeel van circa €28.080,-. De rechtbank achtte dit een redelijke basis en weigerde vermindering van het bedrag wegens dubieuze debiteuren of energiekosten.
Uiteindelijk stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €25.000,- en legde betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De maatregel werd opgelegd op grond van artikel 36e Sr, tweede lid, en is gebaseerd op het bewezen verklaarde strafbare feit en soortgelijke feiten.
Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van €25.000,- aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.