ECLI:NL:RBALK:2011:BP3310
Rechtbank Alkmaar
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot opheffing conservatoir derdenbeslag afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid ondeugdelijkheid vordering
In deze kortgedingprocedure vordert Wesa opheffing van conservatoir derdenbeslag dat door [gedaagde] is gelegd onder verschillende banken en effecteninstellingen. Wesa stelt dat zij en haar cliënten schade lijden door het beslag en dat zij als instelling als bedoeld in art. 700 lid 4 Rv Pro vooraf gehoord hadden moeten worden. [gedaagde] betwist dit en voert aan dat zij grote verliezen heeft geleden en belang heeft bij het beslag.
De voorzieningenrechter oordeelt dat Wesa geen kredietinstelling is als bedoeld in art. 700 lid 4 Rv Pro en dat het financiële stelsel niet in gevaar komt door het beslag. Het standpunt dat Wesa vooraf gehoord had moeten worden wordt daarom verworpen. Vervolgens wordt beoordeeld of de vordering onder het beslag ondeugdelijk is. Wesa slaagt er niet in dit voldoende aannemelijk te maken.
De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van [gedaagde] bij het handhaven van het beslag zwaarder weegt dan het belang van Wesa bij opheffing. De voorlopige vordering wordt begroot op €104.000,-. Wesa wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het conservatoir derdenbeslag wordt afgewezen en de voorlopige vordering wordt begroot op €104.000,-.