ECLI:NL:RBALK:2012:BW5466

Rechtbank Alkmaar

Datum uitspraak
9 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
101224 - ES RK 08-346
Instantie
Rechtbank Alkmaar
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 826 RvArt. 253p BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve regeling verdeling zorg- en opvoedingstaken na echtscheiding

In deze zaak stond de vraag centraal of de bij voorlopige voorzieningen getroffen regelingen met betrekking tot minderjarige kinderen na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking hun werking verliezen. Eerder was bepaald dat de vrouw het gebruik van de echtelijke woning exclusief toekomt en dat de minderjarige kinderen aan haar worden toevertrouwd, met een omgangsregeling voor de man.

De vrouw stelde dat met de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de voorlopige voorzieningen vervallen, maar de rechtbank oordeelde anders. Zij baseerde zich op een commentaar van prof. mr. J.E. Doek, die stelt dat voorlopige voorzieningen blijven gelden totdat een definitieve nevenvoorziening over hetzelfde onderwerp in kracht van gewijsde is gegaan, om een lacune in de rechtspositie van de kinderen te voorkomen.

De rechtbank besloot dat nog een definitieve beslissing moet worden gegeven over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en dat deze zal worden geregeld conform het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant. Hiermee wordt de continuïteit van de zorg en opvoeding van de minderjarige kinderen gewaarborgd.

Uitkomst: De definitieve verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt geregeld conform het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant.

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR
Sector civiel recht
BB
zaak- en rekestnummer: 101224 / ES RK 08-346
datum: 9 februari 2012
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor de behandeling van burgerlijke zaken
in de zaak van:
[NAAM MAN],
wonende te [woonplaats], gemeente Zijpe,
verzoekende partij,
advocaat voorheen mr. H.R.M. Jenné, thans mr. H.B. de Regt,
tegen:
[NAAM VROUW],
wonende te [woonplaats], gemeente Zijpe,
gerekwestreerde, tevens verzoekende partij,
advocaat voorheen mr. A. de Groot, thans mr. O.J.V. van Beekhof.
Partijen zullen verder ook worden aangeduid als de man en de vrouw.
HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
In de zaak is een eerdere beschikking gegeven op 24 april 2008. Daarin is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres 1], gemeente Zijpe. Voorts is daarin bepaald dat de minderjarigen [kind 1], geboren in de gemeente Alkmaar op [geboortedatum 1] en [kind 2], geboren in de gemeente Alkmaar op [geboortedatum 2] aan de vrouw worden toevertrouwd en dat de man als bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding [euro] 461,50 per maand betaalt. Daarnaast is een voorlopige beslissing gegeven omtrent de omgangsregeling (verder: verdeling van de zorg- en opvoedingstaken), waarbij is bepaald dat de minderjarigen een weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag uit school tot zondagavond 19.00 uur bij de man verblijven. De behandeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken is pro forma aangehouden, tot in eerste instantie 17 juli 2008, in afwachting van bericht van partijen ten aanzien van het resultaat van de mediation.
Vervolgens is, mede op verzoek van partijen, de behandeling langere tijd aangehouden.
Bij, mede door de advocaat van de man voor akkoord ondertekende, brief van 6 april 2011 van de advocaat van de vrouw is, onder overlegging van een kopie van het door de vrouw en de man ondertekende echtscheidingsconvenant, meegedeeld dat partijen volledige en algehele overeenstemming hebben bereikt. Verzocht wordt de overeenkomst als onderdeel van de processtukken in behandeling te nemen en deze overeenkomst te hechten aan deze beschikking.
De vrouw heeft een reactie op wijze van voortprocederen tevens houdende wijziging van verzoek van 19 oktober 2011 overgelegd. Daarin heeft zij aangegeven, aangezien de echtscheiding inmiddels is uitgesproken en ingeschreven, in welke beschikking ook een definitieve beslissing is genomen over de kinderalimentatie, dat een einde is gekomen aan de werking van de voorlopige voorzieningen. Ook dus wat betreft het verzoek met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. De uitzondering van artikel 826 lid 1 sub b Rv Pro doet zich in casu niet voor. Het gegeven dat er in de voorlopige voor-zieningenprocedure een voorlopige voorlopige voorziening is getroffen met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken maakt dit evenmin anders.
Tenslotte heeft mr. De Regt bij brief van 23 december 2011 meegedeeld dat zijn opdracht-geefster mr. T. Kreeftenberg te Son zich als advocaat onttrekt en dat het dossier derhalve als gesloten kan worden beschouwd.
Er heeft geen (nadere) mondelinge behandeling plaatsgevonden.
DE BEHANDELING VAN DE ZAAK
De rechtbank neemt hier over hetgeen is opgenomen in de beschikking van 24 april 2008.
Geconstateerd wordt dat de onderhavige zaak in het geautomatiseerde administratiesysteem van de rechtbank op 27 april 2011 is afgeboekt als "ingetrokken". Deze wijze van afdoening van de zaak blijkt echter niet uit het dossier.
Anders dan de vrouw heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat de bij voormelde beschikking van 24 april 2008 getroffen voorlopige voorzieningen met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken niet hun werking hebben verloren. De rechtbank baseert zich daarbij op een commentaar van professor mr. J.E. Doek in de Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering bij artikel 826 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldigheidsduur van voorlopige voorzieningen), waarbij onder meer het volgende wordt vermeld. Als gevolg van de regel dat de ouders na een (echt)scheiding het gezag gezamenlijk blijven uitoefenen (uiteraard voor zover zij ook tijdens het huwelijk het gezamenlijk gezag hadden) doet zich een probleem voor als door een van de ouders voorlopige voorzieningen ten aanzien van de kinderen is gevraagd en toegewezen, bijvoorbeeld inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Immers als gevolg van deze regel is in de meeste echtscheidingen (meer dan 90%) waarin minderjarige kinderen zijn betrokken geen sprake van een gezagsbeschikking en dus ook niet van een aanvang van het gezag als omschreven in artikel 253p van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Voor de hand ligt om in dergelijke gevallen uit te gaan van de algemene regel: deze voorlopige voorzieningen te laten eindigen op het moment van inschrijving van de (echt)scheidingsbeschikking. Maar als ter zake van het onderwerp van de voorlopige voorziening een nevenvoorziening is gevraagd (bijvoorbeeld met betrekking tot de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of de alimentatie) en daarover bij een latere beschikking (na het tijdstip van de inschrijving van de scheidings-beschikking) wordt beschikt ontstaat een gat tussen het einde van de voorlopige voorziening en het begin van de nevenvoorziening. Het lijkt het meest praktisch - en in het belang van het kind - om aan te nemen dat in de hier bedoelde gevallen de voorlopige voorziening zijn kracht behoudt totdat de beslissing op het verzoek tot een nevenvoorziening ter zake van hetzelfde onderwerp in kracht van gewijsde is gegaan.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat nog een definitieve beslissing dient te worden gegeven omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
Gelet op het hierboven genoemde door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant, is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheden van partijen na te melden voorziening vergen.
DE BESLISSING
De rechtbank:
Bepaalt dat de (definitieve) verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal worden geregeld conform hetgeen partijen zijn overeengekomen in het aan deze beschikking gehechte en door de griffier gewaarmerkte echtscheidingsconvenant.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.C. Oosterbroek, lid van gemelde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 februari 2012, in tegenwoordigheid van A.M. Bergen, griffier.