RECHTBANK TE ALKMAAR afwijzing verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
Sector civiel recht
msb
Rekestnummer: 141020 / OT RK 12-1286
Datum uitspraak: 1 november 2012
Beschikking van de kinderrechter in bovenvermelde rechtbank, gegeven in de zaak met betrekking tot de minderjarige:
[naam kind], geboren te Noordwijkerhout, op [geboortedatum],
vader: [naam vader], wonende te Medemblik,
moeder:[naam moeder], wonende te Grootebroek, gemeente Stede Broec,
De kinderrechter te Alkmaar heeft bij beschikking van 15 augustus 2012 de ondertoezichtstelling van de minderjarige uitgesproken tot 3 augustus 2013, en de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige verlengd tot 3 november 2012.
Op 16 oktober 2012 heeft Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, vestiging Hoorn, (hierna: BJZ) een verzoek ingediend tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige, tot 3 augustus 2013.
Ter griffie is ontvangen een indicatiebesluit, gedateerd 11 oktober 2012. Uit het indicatiebesluit blijkt dat de minderjarige in aanmerking komt voor verblijf bij pleegouder(s) 24-uurs voor de duur van een jaar.
De kinderrechter heeft kennis genomen van:
- het plan van aanpak van BJZ, gedateerd 13 september 2012;
- het dossier inzake de ondertoezichtstelling.
Op 30 oktober 2012 heeft de kinderrechter de zaak ter terechtzitting met gesloten deuren behandeld. Verschenen zijn: de gezinsvoogd namens BJZ [naam voogd], de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. P.G.A. van Leeuwen en vergezeld van de netwerkpleegmoeder (te weten grootmoeder vaderszijde).
Alhoewel hiertoe behoorlijk opgeroepen is de moeder niet ter zitting verschenen.
BJZ heeft ter onderbouwing van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing het volgende gesteld. BJZ acht het van belang dat er zicht komt op de problematiek van de vader op het gebied van agressieregulatie en op het gebied van overmatig alcoholgebruik, omdat dit heeft geleid tot huiselijk geweld. De vader dient zelf passende hulpverlening in te schakelen om de zorgen over zijn agressieregulatie en het alcoholgebruik weg te nemen. Afhankelijk van de resultaten van de door de vader ingezette hulpverlening zal BJZ bepalen welke voorwaarden voor thuisplaatsing van de minderjarige (hierna ook: [het kind]) worden gesteld. Voorts heeft de gezinsvoogd ter zitting verklaard dat er inmiddels een omgangsregeling tussen [het kind] en de moeder is opgestart van één keer per drie à vier weken gedurende één uur onder begeleiding van BJZ. De omgang wordt geleidelijk opgebouwd vanwege de lange periode van afwezigheid van de moeder in het leven van [het kind].
Mr. Van Leeuwen heeft ter zitting namens de vader verzocht om BJZ niet-ontvankelijk te verklaren in het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind], dan wel om dit verzoek af te wijzen. Naar het oordeel van de vader zijn er geen wettelijke gronden voor de uithuisplaatsing aanwezig. De vader blijft er bij dat hij ten onrechte is beschuldigd van huiselijk geweld waarbij [het kind] aanwezig zou zijn geweest. De vader ontkent tevens dat hij een alcoholprobleem heeft. Toch heeft de vader zich, vanwege de zorgen van BJZ hierover, tot de huisarts en de Brijder gewend. De huisarts zag echter geen noodzaak tot verder contact hierover. Bij de Brijder is besloten om het bij één gesprek te laten, omdat er niet echt een hulpvraag is van de vader. Mr. Van Leeuwen heeft voorts gesteld dat er vanaf de uithuisplaatsing weinig is gedaan door BJZ en dat er nauwelijks contact is opgenomen met de vader. BJZ heeft geen omgangsregeling aan de vader opgelegd. Hij mag [het kind] onbeperkt bij zijn ouders bezoeken.
De vader heeft hier aan toegevoegd dat hij altijd goed voor [het kind] heeft gezorgd. Momenteel bezoekt en verzorgt hij [het kind] dagelijks bij zijn ouders thuis.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt het volgende.
Naar aanleiding van een op 5 augustus 2011 bij de rechtbank te Alkmaar ingediend verzoek van de vader om primair te bepalen dat hij alleen met het ouderlijk gezag wordt belast over [het kind] en subsidiair te bepalen dat hij gezamenlijk met de moeder wordt belast met het ouderlijk gezag over [het kind], en tevens te bepalen dat [het kind] zijn hoofdverblijfplaats bij hem zal hebben, heeft de rechtbank aan de Raad voor de Kinderbescherming te Alkmaar (hierna: de Raad) verzocht om rapport en advies uit te brengen over de vraag of een wijziging in het gezag in het belang is van [het kind], en zo ja, op welke wijze omgang tussen de moeder en [het kind] zou kunnen worden opgestart. De Raad heeft besloten het onderzoek inzake het gezag ambtshalve uit te breiden naar een beschermingsonderzoek. Op 17 juli 2012 heeft de Raad een rapport uitgebracht, waarin de Raad de rechtbank heeft geadviseerd om het verzoek van de vader om hem met het eenhoofdig ouderlijk gezag te belasten, toe te wijzen. De Raad heeft daarbij de kinderrechter verzocht om [het kind] onderzoek toezicht te stellen van BJZ voor de duur van twaalf maanden. Voorts heeft de Raad de rechtbank geadviseerd om een omgangsregeling vast te stellen tussen [het kind] en de moeder. Uit het rapport van de Raad van 17 juli 2012 blijkt dat de Raad van mening is dat de vader [het kind] een stabiele opvoedsituatie biedt die aansluit bij de behoeften van [het kind]. [het kind] ontwikkelt zich op alle gebieden volgens de normen en er bestaat een hechtingsband tussen [het kind] en de vader. De Raad acht het blijkens dit rapport noodzakelijk dat de vader als verzorgende ouder beslissingen over [het kind] kan nemen. De Raad acht het daarom in het belang van [het kind] dat de vader (in plaats van de thans gezaghebbende moeder) het gezag over hem krijgt. De moeder is het niet eens met dit advies van de Raad. Zij zou het liefst willen dat [het kind] bij haar komt wonen.
Op 27 juli 2012 heeft de Raad op basis van gemelde zorgen besloten het op 17 juli 2012 afgesloten raadsonderzoek te heropenen. Op 2 augustus 2012 heeft de Raad een aanvullend rapport uitgebracht. Uit dit rapport blijkt dat de moeder op 27 juli 2012 de Raad heeft benaderd. Zij heeft gemeld dat de vriendin van de vader, [naam 1], door haar ouders bij de vader is weggehaald omdat vader haar meerdere keren heeft mishandeld. [naam 1] en haar ouders hebben hierover contact opgenomen met de moeder. De moeder en [naam 1] hebben hun ervaringen gedeeld en menen dat deze overeenkomen. [naam 1] is op 27 juli 2012 bij de huisarts geweest en zij heeft vervolgens tegen de vader aangifte gedaan van mishandeling, bedreiging en diefstal. [naam 1] heeft tegen de raadsonderzoeker verklaard dat zij drie keer is mishandeld door de vader in aanwezigheid van [het kind]. [het kind] was alle keren overstuur. Verder drinkt vader veel volgens [naam 1], ongeveer tussen de tien en twintig biertjes per dag.
De vader heeft vanaf het begin steeds ontkent dat hij [naam 1] - in bijzijn van [het kind] - heeft mishandeld. Tevens heeft hij steeds ontkent dat er sprake is van overmatig alcoholgebruik. De vader heeft tijdens het raadsonderzoek verklaard dat de relatie met [naam 1] niet goed liep. Daarom wilde hij de relatie verbreken. De vader van [naam 1] is daarna naar de vader toegekomen om te vragen of hij [naam 1] terug wilde nemen, aldus de vader.
Door de voornoemde zorgmeldingen van de moeder en de (inmiddels) ex-partner van de vader ([naam 1]), is blijkbaar het beeld dat de Raad van de vader heeft gewijzigd. Hoewel in de visie van de Raad het toekomstperspectief van [het kind] vooralsnog bij de vader ligt, is de vader naar het oordeel van de Raad onvoldoende in staat geweest [het kind] basale veiligheid te bieden. De Raad acht het aannemelijk dat er sprake is van problematiek op het gebied van agressieregulatie en stressbestendigheid en ziet zorgen op het gebied van (overmatig) alcoholgebruik, wat mogelijk heeft bijgedragen aan huiselijk geweld. [het kind] is mogelijk getuige geweest van het huiselijk geweld. De Raad acht de veiligheid van [het kind] bij de vader niet gegarandeerd. De Raad heeft de kinderrechter daarom verzocht [het kind] voorlopig onder toezicht te stellen van BJZ en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing te verlenen. De kinderrechter heeft de voornoemde verzoeken toegewezen. Op 3 augustus 2012 is [het kind] in het netwerkpleeggezin van zijn grootouders (vaderszijde) geplaatst.
Bij beschikking van 15 augustus 2012 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] voor verblijf in het netwerkpleeggezin verlengd tot 3 november 2012. Overwogen is dat er zorgelijke signalen naar voren zijn gekomen vanuit de thuissituatie bij de vader. Uit grondig onderzoek, uit te voeren door BJZ, moet duidelijk worden welke verblijfplek (in de toekomst) het meest in het belang van [het kind] is.
BJZ heeft echter naar het oordeel van de kinderrechter de zorgen van de Raad ten aanzien van de vermoedelijke problematiek van de vader op het gebied van agressieregulatie en overmatig alcoholgebruik, als vaststaand aangenomen. BJZ heeft dit tevens als uitgangspunt genomen voor het verdere hulpverleningstraject. Naar het oordeel van de kinderrechter zijn in het rapport van de Raad de zorgen om de vermoedelijke agressieregulatie- en alcoholproblematiek van de vader en de zorgen om het huiselijk geweld dat in bijzijn van [het kind] zou hebben plaatsgevonden, uitsluitend gebaseerd op de verklaringen van de moeder en [naam 1]. Aan de verklaringen van de vader wordt volledig voorbij gegaan. BJZ heeft geen, althans onvoldoende, nader onderzoek gedaan naar de zorgen uit het raadsrapport en de (thuis)situatie van de vader. Geen wezenlijke nieuwe feiten en omstandigheden zijn ter zake door BJZ naar voren gebracht. Voorts heeft BJZ tot op heden niet aangegeven aan welke voorwaarden de vader moet voldoen om deze zorgen weg te nemen. BJZ legt hierin de verantwoordelijkheid volledig bij de vader: hij dient te bewijzen dat hij geen alcoholprobleem heeft en dat er geen sprake is (geweest) van huiselijk geweld.
Voorts is gebleken dat BJZ geen voorwaarden of beperkingen heeft gesteld aan de huidige omgang tussen de vader en [het kind]. De vader is vrij om te bepalen wanneer en hoe lang hij [het kind] bezoekt, en op welke wijze deze bezoeken worden ingevuld. BJZ heeft, zo heeft de gezinsvoogd ter zitting desgevraagd aangegeven, geen zorgen over de opvoedvaardigheden van de vader. Ter zitting heeft de kinderrechter een beeld gekregen van een betrokken vader, die bereid is de benodigde hulpverlening te aanvaarden ten behoeve van een veilige opvoedsituatie voor [het kind]. Ook heeft de kinderrechter begrepen dat het goed gaat met [het kind]; er zijn geen kindsignalen.
De zorgen om de vermoedelijke agressieregulatie- en alcoholproblematiek van de vader en de zorgen om het huiselijk geweld dat in bijzijn van [het kind] zou hebben plaatsgevonden zijn thans - gelet op het verhandelde ter zitting, de stukken en het bovenstaande - onvoldoende komen vast te staan om een vergaande maatregel als een uithuisplaatsing te rechtvaardigen. Bovendien heeft BJZ naar het oordeel van de kinderrechter onvoldoende in kaart gebracht en inzichtelijk gemaakt aan welke voorwaarden, en op welke wijze, de vader dient te voldoen om de door BJZ gestelde zorgen weg te nemen. De kinderrechter is derhalve van oordeel dat de gronden voor verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing niet aanwezig zijn. Het verzoek van BJZ zal daarom worden afgewezen.
- wijst af het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige: [naam kind], geboren te Noordwijkerhout, op [geboortedatum].
Deze beslissing is gegeven te Alkmaar door mr. J.A.C.R.W. VerLoren van Themaat-van der Hoeven, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 november 2012, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Blijlevens als griffier.