ECLI:NL:RBALM:1999:AA3956
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onterecht ontvangen WW-uitkering wegens verzwegen inkomsten
Eiser ontving ten onrechte WW-uitkeringen over diverse perioden in 1996 en 1997, omdat hij werkzaamheden verrichtte zonder deze uren op werkbriefjes te vermelden. Verweerder besloot tot terugvordering van het bedrag van F 15.767,55. Eiser maakte bezwaar en voerde aan dat er dringende redenen waren om niet terug te vorderen, onder meer vanwege trage afhandeling van zijn aanvraag en schulden.
De rechtbank oordeelt dat het Lisv op grond van artikel 36 van Pro de WW gehouden is tot integrale terugvordering, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. Van dergelijke dringende redenen is in dit geval geen sprake. Het bewust verzwijgen van inkomsten kan niet worden gerechtvaardigd door persoonlijke schulden of trage uitbetaling. Ook het subsidiaire verweer dat verweerder te traag handelde faalt, omdat de administratie geen aanleiding gaf tot onderzoek en verweerder na ontdekking adequaat handelde.
De rechtbank concludeert dat het besluit tot terugvordering niet in strijd is met algemene beginselen van behoorlijk bestuur en verklaart het beroep ongegrond. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de terugvordering van de onterecht ontvangen WW-uitkering.