ECLI:NL:RBALM:1999:AF0039

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
6 januari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
F/97/1998
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H.H.C.V. Breitbarth
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot opheffing faillissement en toepassing schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goede trouw

Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het op 17 juni 1998 uitgesproken faillissement, met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld op 15 december 1998 en geoordeeld dat het verzoek tijdig was ingediend.

De rechtbank stelde vast dat verzoeker geen baan heeft en afhankelijk is van een aanvullende uitkering. Verzoeker gaf aan geen arbeid onder zijn niveau te willen verrichten, hetgeen de rechtbank beoordeelde als een houding die de nakoming van verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling in gevaar brengt. Daarnaast bleek uit het faillissementsdossier en verklaringen dat verzoeker niet te goeder trouw was bij het ontstaan van ten minste één schuld, namelijk het niet betalen van een verzekeringspremie terwijl hij onverzekerd reed, wat leidde tot een aanzienlijke schuld.

Gezien deze omstandigheden concludeerde de rechtbank dat er gegronde vrees bestaat dat verzoeker zijn verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Daarom wees de rechtbank het verzoek tot opheffing van het faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling af.

Uitkomst: Verzoek tot opheffing van het faillissement en toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw en onvoldoende nakoming van verplichtingen.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Almelo
enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken;
x.
geboren op ... te ...
wonende te P.
verzoeker,
heeft een verzoekschrift ingediend tot opheffing van het op 17 juni 1998 uitgesproken faillissement van verzoeker, onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Het verzoek is behandeld op de terechtzitting van 15 december 1998, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.
De beoordeling:
Het verzoek is tijdig ingediend.
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende:
Zowel bij de behandeling van de eigen aangifte faillissement op 17 juni 1998 als bij de behandeling van het onderhavige verzoek tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op 15 december 1998 heeft verzoeker, die geen baan heeft en afhankelijk is van een (aanvullende) uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet, onder meer verklaard dat hij -om met zijn eigen woorden te spreken- "niet voor het IKB wenst te werken" en dat hij geen arbeid onder zijn niveau wenst te aanvaarden (verzoeker heeft een opleiding HTS elektrotechniek met pedagogische aantekening). Gelet op deze houding van verzoeker is de rechtbank van oordeel dat gegronde vrees bestaat dat verzoeker zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen. Verzoeker heeft tijdens de schuldsaneringsregeling immers een inspanningsverplichting ten opzichte van de boedel, ter voldoening van zijn schuldeisers.
Voorts is naar het oordeel van de rechtbank uit de stukken van het faillissementsdossier en uit de verklaringen van verzoeker dienaangaande gebleken dat verzoeker ten aanzien van het ontstaan van in ieder geval één schuld niet te goeder trouw is geweest.
Bij zijn verhoor heeft verzoeker immers verklaard dat hij op enig moment de verzekeringspremie voor zijn auto niet meer betaalde, terwijl in die periode tijdens een verblijf in Italië een aanrijding ontstond, waaruit de schuld van verzoeker aan het Nederlands Bureau Motorrijtuigen ten bedrage van fl.35.491,86 is voortgevloeid. De rechtbank is van oordeel dat er vanuit gegaan moet worden dat verzoeker wist, maar tenminste moest weten, dat het niet betalen van een verzekeringspremie leidt tot (tenminste) opschorting van de dekking. Dat verzoeker ondanks dat hij niet verzekerd was, toch is gaan rijden, levert naar het oordeel van de rechtbank een zodanig gedrag op dat verzoeker bij het ontstaan van deze schuld niet te goeder trouw wordt geacht.
De beslissing:
Wijst het verzoek af;
Gewezen door mr. H.H.C.V. Breitbarth, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 januari 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.