ECLI:NL:RBALM:1999:AF0040

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
31 maart 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
31095/FT-RK 99.135
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 213 lid 2 FwArt. 63 FwArt. 313 FwArt. 216 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening van surséance van betaling aan echtpaar in gemeenschap van goederen waarbij één partner ondernemer is

Verzoekers, een echtpaar gehuwd in algehele gemeenschap van goederen, hebben verzocht om surséance van betaling. De man, X1, is ondernemer met een eenmanszaak, terwijl de vrouw, X2, in loondienst werkt. Volgens artikel 213 lid 2 Faillissementswet Pro wordt surséance van betaling niet verleend aan natuurlijke personen zonder zelfstandig beroep of bedrijf.

De rechtbank overweegt dat indien aan de vrouw geen surséance wordt verleend, zij primair aangewezen is op de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen of faillissement. Dit zou leiden tot liquidatie van de gezamenlijke activa, waaronder de onderneming van de man, hetgeen het doel van surséance van betaling zou doorkruisen.

Daarom wordt artikel 213 lid 2 Fw Pro zo uitgelegd dat ook de vrouw als natuurlijke persoon die een beroep of bedrijf uitoefent kan worden beschouwd in dit kader. De rechtbank verleent daarom aan beiden surséance van betaling, benoemt een rechter-commissaris en bewindvoerder, en bepaalt een zitting voor definitieve verlening.

Uitkomst: De rechtbank verleent voorlopige surséance van betaling aan beiden, ook aan de niet-ondernemende echtgenoot.

Uitspraak

Rekestnummer 31095/FT-RK 99.135
Arrondissementsrechtbank te Almelo
enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken;
gezien vorenstaand verzoekschrift met bijlagen;
Overweegt:
Verzoekers hebben verzocht om aan hen surséance van betaling te verlenen. Zij zijn gehuwd in algehele gemeenschap van goederen. Krachtens het bepaalde in artikel 213 lid 2 Fw Pro wordt surséance van betaling niet verleend aan een natuurlijke persoon die geen zelfstandig beroep of bedrijf uitoefent. Het tweede lid is per 1 december 1998 aan dit artikel toegevoegd (bij wet van 25 juni 1998, Stb 1998, 445; schuldsaneringsregeling natuurlijke personen).
In de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel 22 969 nr. 3 is onder andere vermeld: 'een natuurlijke persoon zonder zelfstandig beroep of bedrijf zal ingevolge de voorgestelde regelingen geen surséance van betaling meer worden verleend. Deze is primair aangewezen op de schuldsaneringsregeling.'
Blijkens het uittreksel uit het Handelsregister oefent de heer X1, verzoeker sub 1, een zelfstandig beroep of bedrijf uit door zijn éénmanszaak Rijschool X. - Nu overigens niet van een afwijzingsgrond is gebleken zal aan hem de surséance van betaling worden verleend.
Mevrouw X2, verzoekster sub 2, is werkzaam in loondienst. Omdat verzoekers in gemeenschap van goederen zijn gehuwd valt de onderneming van de heer X1 (met de ondernemingsschulden) in die huwelijksgoederengemeenschap. Indien aan mevrouw X2 geen surséance van betaling zou worden verleend is zij primair aangewezen op de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen en subsidiair op het faillissement zoals geregeld in Titel I van voormelde wet. Een faillissement (artikel 63 Fw Pro) en een schuldsanering (artikel 313 jo Pro 63 Fw) van een persoon die in enige gemeenschap gehuwd is wordt als het faillissement respectievelijk schuldsanering van die gemeenschap behandeld. In zowel een faillissement als een schuldsaneringsregeling worden in beginsel alle activa van een schuldenaar geliquideerd. Dat betekent voor verzoekers dat via een eventueel faillissement of toepassing van een schuldsanering van mevrouw X2 ook de in de huwelijksgoederengemeenschap vallende onderneming van de heer X1 wordt geliquideerd. Dit gevolg zou echter in strijd zijn met het doel van de aan de heer X1 te verlenen surséance van betaling. Dat doel is immers juist het zoveel als mogelijk is behouden van de bedrijfsactiva.
Gelet op de omstandigheid dat de echtgenoot waarmee zij in algehele gemeenschap van goederen is gehuwd een ondernemer is aan wie surséance van betaling zal worden verleend, het doel van de surséance van betaling en de onaanvaardbare doorkruising daarvan indien aan mevrouw X2 uitsluitend is aangewezen op de regeling van een faillissement of schuldsanering, dient artikel 213 lid 2 Fw Pro zo te worden verstaan dat ook zij in het kader van dit verzoek kan worden beschouwd als een natuurlijke persoon die een beroep of bedrijf uitoefent. Daarom zal, nu overigens niet van een afwijzingsgrond is gebleken, ook aan mevrouw X2 de surséance worden verleend.
verleent aan:
X1
geboren op 29 maart 1957, en aan
X2, geboren op 29 september 1962, beiden wonende te P. aldaar handelende onder de naam X, ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor VELUWE EN TWENTE onder nummer 06069191,
voorlopig surséance van betaling met benoeming van mr. M.M, VERHOEVEN, lid dezer rechtbank, tot rechter-commissaris en van mr. J.T. STEKELENBURG, advocaat en procureur te Hengelo (0) tot bewindvoerder;
beveelt, dat de bekende schuldeisers, alsmede de de schuldenaren en de bewindvoerder, bij brieven van de griffier zullen worden opgeroepen om te verschijnen ter raadkamer van deze rechtbank, enkelvoudige kamer van woensdag 28 juli 1999 te 11.30 uur, teneinde omtrent de definitieve verlening van de verzochte surséance van betaling te worden gehoord;
beveelt voorts, dat de ingevolge artikel 216 van Pro de Faillissementswet voorgeschreven aankondigingen zullen geschieden in de Nederlandsche Staatscourant, alsmede in De Twentsche Courant TUBANTIA, verspreid wordende te Goor.
Aldus gedaan te Almelo op 31 maart 1999 door mr Van der Winkel, lid van voormelde enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr Van Gemert, griffier.