ECLI:NL:RBALM:1999:AF0071

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
24 februari 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99-18R
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot definitieve schuldsanering wegens strijd met goede trouw

De rechtbank Almelo heeft op 21 februari 1999 uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker, eigenaar van een discotheek, een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling had ingediend. De rechtbank heeft het verzoek afgewezen omdat de ondernemingsschulden geheel of gedeeltelijk in strijd met de goede trouw zijn aangegaan of onbetaald zijn gebleven.

Uit het onderzoek van de bewindvoerder bleek dat verzoeker als ondernemer nagelaten heeft een adequate administratie te voeren en de benodigde boeken en bescheiden zodanig te bewaren dat zijn rechten en verplichtingen te allen tijde gekend konden worden. De beschikbare boekhouding gaf onvoldoende inzicht in de vermogenspositie, wat ook voor verzoeker het geval moet zijn geweest toen hij nieuwe schulden aanging en onbetaald liet.

Daarnaast werd vastgesteld dat verzoeker onbetaalde reguliere ondernemingsschulden had terwijl hij onverplichte betalingen deed aan de 'Enschedese onderwereld', betalingen die niet in de boekhouding waren opgenomen en niet verifieerbaar waren. De rechtbank oordeelde dat dit handelen in strijd was met de goede trouw en dat verzoeker zijn onderneming had moeten staken als hij zonder deze betalingen niet kon voortzetten.

De rechtbank stelde tevens de kosten van de bewindvoerder en publicatiekosten vast en bracht deze ten laste van verzoeker. Daarmee werd het verzoek tot definitieve schuldsanering afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot definitieve schuldsanering wordt afgewezen wegens strijd met de goede trouw.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Almelo
enkelvoudige kamer
x.
wonende: P.
verzoeker,
heeft op 28 januari 1999 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Bij vonnis van deze kamer van 3 februari l999 is op het verzoek voorlopig beslist.
De beoordeling:
De rechtbank zal de definitieve toepassing van de schuldsanering niet uitspreken. De rechtbank is van oordeel dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de ondernemingsschulden geheel of gedeeltelijk in strijd met de goede trouw zijn aangegaan of onbetaald zijn gebleven.
Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende:
Verzoeker heeft zeer omvangrijke schulden. Deze bedragen tenminste een bedrag van f. 2.100.000,00 (zegge: twee miljoen éénhonderd duizend gulden). De schulden zijn, volgens zijn opgave, ondernemingsschulden die hij heeft gemaakt als eigenaar van discotheek A.
Uit het onderzoek van de bewindvoerder is genoegzaam gebleken dat verzoeker als ondernemer heeft nagelaten een zodanige administratie te voeren en de daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van verzoeker als ondernemer kunnen worden gekend. Dit wordt ondersteund door een namens verzoeker overgelegde brief d.d. 17 februari 1999 van mw W. Nijhof (Nijhof & Luitens Administraties). In die brief is onder andere vermeld dat op 30.09.1998 slechts een deel van de administratie was verwerkt: wel alle baten doch niet alle kosten en gedane betalingen waren geboekt. Sedertdien is de administratie niet bijgewerkt. De boekhouding zoals thans beschikbaar geeft onvoldoende inzicht in de vermogenspositie van verzoeker en dat moet ook voor verzoeker het geval geweest zijn toen hij als ondernemer nieuwe schulden maakte en onbetaald liet. Onder de gegeven omstandigheden was dat handelen van verzoeker in strijd met de goede trouw.
Dat de boekhouding -voorzover wel beschikbaar- geen getrouw beeld geeft blijkt voorts uit de omstandigheid dat de door verzoeker (gestelde en) betaalde 'beschermingsgelden' aan de 'Enschedese onderwereld' niet als zodanig in de boekhouding zijn vermeld. Ook zijn deze betalingen aan de 'Enschedese onderwereld' niet verifieerbaar en (voorzover daadwerkelijk gedaan) onverplicht gedaan. Het is in strijd met de goede trouw om -mede gelet op de zeer slechte financiële positie van verzoeker vanaf de aanvang van de onderneming- reguliere ondernemingsschulden aan te gaan en onbetaald te laten terwijl aan de 'onderwereld' geheel onverplicht betalingen worden gedaan. Indien verzoeker meende dat hij zonder dergelijke betalingen zijn ondernemingsactiviteiten niet kon voortzetten had hij deze moeten staken.
BESLISSING
De rechtbank:
Wijst de definitieve schuldsanering af.
Stelt het bedrag van het salaris van de bewindvoerder vast op f. 4.635,= (vierduizend zeshonderd vijfendertig gulden), te vermeerderen met de omzetbelasting, en brengt dit bedrag ten laste van verzoeker;
Stelt het bedrag van de publicatiekosten vast op f 400,-, en brengt dit bedrag ten laste van verzoeker.
Gewezen door mr M.M. Verhoeven, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.