ECLI:NL:RBALM:2000:AA7221
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.G. de Jong
- A.E.M. Effting-Zeguers
- J.G.J. Roelvink
- Rechtspraak.nl
Vaststelling fictieve opzegtermijn bij WW-uitkering na ontbinding arbeidsovereenkomst
Eiser was sinds 1991 in dienst van een werkgever en zijn arbeidsovereenkomst werd op 3 maart 1999 ontbonden wegens reorganisatie. Eiser verzocht om een WW-uitkering ingaande 3 maart 1999, maar verweerder stelde de ingangsdatum vast op 3 mei 1999, rekening houdend met een fictieve opzegtermijn conform artikel 7:672 BW Pro, inclusief de eis dat opzegging tegen het einde van de maand dient te geschieden.
Eiser maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde aan dat bij de berekening van de fictieve opzegtermijn alleen de termijn, niet de aanzegdag, in aanmerking moet worden genomen. Verweerder handhaafde zijn standpunt dat ook de aanzegdag relevant is. De rechtbank overwoog dat de wetgever niet expliciet heeft bepaald dat de aanzegdag moet worden betrokken bij de fictieve opzegtermijn en dat het meenemen van de aanzegdag tot onbillijke en willekeurige gevolgen leidt.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser. Het verzoek van eiser tot schadevergoeding wegens gederfde rente werd afgewezen, omdat nog niet definitief vaststaat of schade is geleden.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet een nieuw besluit nemen zonder de aanzegdag mee te rekenen in de fictieve opzegtermijn.