ECLI:NL:RBALM:2000:AA8349
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.G.J. Roelvink
- Rechtspraak.nl
Terugvordering bijstand ondanks onvoltooide boedelscheiding gegrond verklaard
Eiseres ontving bijstand en een renteloze lening op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW), met mededeling dat deze bedragen zouden worden teruggevorderd uit haar aandeel in de boedelscheiding met haar ex-echtgenoot. Hoewel de boedelscheiding nog niet was geëffectueerd, ontving eiseres bedragen uit de verkoop van de echtelijke woning en van haar ex-echtgenoot, zonder dit te melden.
Verweerder vorderde terugbetaling van in totaal ƒ 11.128,68, wat eiseres betwistte met het argument dat terugvordering pas mogelijk is na voltooide boedelscheiding en dat er sprake was van schulden in plaats van vermogen. De rechtbank stelde vast dat eiseres daadwerkelijk over de vermogensbestanddelen kon beschikken en dat de onzekerheid over het aandeel in de boedelscheiding de terugvordering niet verhindert.
De rechtbank oordeelde verder dat het bezwaarschrift van eiseres tegen het besluit van 31 augustus 1998 niet-ontvankelijk had moeten worden verklaard, maar dat verweerder door verwarring over de bezwaar- en beroepsmogelijkheden een verschoonbare termijnoverschrijding had veroorzaakt. Het beroep tegen het besluit van 7 maart 2000 werd deels gegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan eiseres.
De uitspraak bevestigt dat terugvordering van bijstand mogelijk is ondanks onvoltooide boedelscheiding indien de middelen daadwerkelijk beschikbaar zijn, en benadrukt het belang van correcte rechtsgang bij bezwaar en beroep.
Uitkomst: De terugvordering van bijstand wordt gegrond verklaard ondanks onvoltooide boedelscheiding, met gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep en toekenning van proceskosten aan eiseres.