ECLI:NL:RBALM:2001:AB2544
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van der Winkel
- Rechtspraak.nl
Rechtsgeldigheid van désaveu en voortzetting procedure na defungeren procureur
In deze civiele procedure stond een incident tot ontkentenis van gerechtelijke verrichtingen (désaveu) centraal, waarbij eiser in het incident stelde dat de procureur onrechtmatig had gehandeld door in te stemmen met het achterwege laten van een conclusie van eis na het defungeren van zijn oorspronkelijke procureur.
De rechtbank overwoog dat de instemming van de procureur met het voorstel van de rolrechter om de procedure voort te zetten zonder conclusie van eis geen te désouveren proceshandeling was. Dit was in lijn met artikel 258 Rv Pro en de jurisprudentie van de Hoge Raad, die dergelijke voortzetting toestaat.
Verder oordeelde de rechtbank dat het désaveu niet gericht was op een verrichting die vatbaar is voor désaveu en dat eiser in het incident geen rechtens te respecteren belang had bij het désaveu. Ook zou een eventueel achterwege blijven van de conclusie van eis niet direct tot ontslag van instantie hebben geleid, mede gelet op de mogelijkheid tot herstel binnen een termijn van veertien dagen.
De rechtbank verklaarde het désaveu ondeugdelijk, wees de vordering tot schadevergoeding af en veroordeelde eiser in het incident in de proceskosten. Het rechtsgeding in de hoofdzaak werd hervat met een nieuwe termijn voor dupliek.
Uitkomst: Het désaveu is ondeugdelijk verklaard en het rechtsgeding is hervat zonder schadevergoeding aan eiser in het incident.