2. De feiten en het verloop van de procedure
Eiseres ontvangt sedert 1 januari 1981 een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) voor de noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze uitkering is met ingang van 1 januari 1997 omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw), welke uitkering per 1 juni 1997 is beëindigd in verband met verzwegen inkomsten. Met ingang van 25 juni 1997 is eiseres weer uitkering voor de noodzakelijke kosten van het bestaan toegekend. Daarbij is het vermogen van eiseres vastgesteld op ƒ 0,21. Hierna is medio april 2000 bij verweerder een tip van [tipgever] (hierna te noemen: [tipgever]) binnengekomen dat eiseres over een aanzienlijk vermogen zou beschikken. [tipgever] is gedurende een aantal jaren in een juridische procedure met eiseres verwikkeld geweest over de afwikkeling van brandschade die zij in 1993 aan haar caravan en inboedel had opgelopen. Deze procedure heeft uiteindelijk geleid tot een verzekeringsuitkering door [tipgever] aan eiseres van ƒ 39.995,79. Hiervan heeft eiseres geen mededeling gedaan aan verweerder.
Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 8 juni 2000 het recht op uitkering van eiseres met ingang van 21 maart 2000 ingetrokken onder de overweging dat zij met ingang van die datum over een vermogen beschikt of kan beschikken van ƒ 39.995,79, hetgeen volgens verweerder meer is dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande van ƒ 10.000,--. Bij dat besluit heeft verweerder tevens bepaald, dat de voor eiseres geldende interingsperiode dient te worden vastgesteld op 14,8 maanden. Daarbij is verweerder uitgegaan van een interingsbedrag per maand van 1,5x de voor eiseres geldende bijstandsnorm en een ziektekostenverzekering.
Bij dat besluit heeft verweerder eiseres voorts meegedeeld dat zij over de periode 21 maart 2000 tot en met 31 maart 2000 teveel uitkering heeft ontvangen, hetgeen van haar zal worden teruggevorderd.
Bij besluit van 9 juni 2000 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het schuldbedrag dat van haar wordt teruggevorderd ƒ 510,59 netto bedraagt.
Bij schrijven 5 juli 2000, respectievelijk 20 juli 2000, heeft eiseres bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen de vorengenoemde besluiten. Bij verzoekschrift van 6 juli 2000 is aan de president van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het besluit van 8 juni 2000. Bij uitspraak van 26 juli 2000 heeft de president het verzoek afgewezen. Daarbij heeft de president wel bepaald dat verweerder uiterlijk medio september 2000 een beslissing op bezwaar moet hebben genomen.
Op 31 augustus 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
Bij het bestreden besluit van 19 september 2000, verzonden op 21 september 2000, heeft verweerder vervolgens de bezwaren van eiseres tegen het intrekkingsbesluit van 8 juni 2000 gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat het vermogen van eiseres per 1 april 2000 wordt vastgesteld op ƒ 24.000,--, hetgeen volgens verweerder betekent dat gelet op de vermogensgrens van ƒ 10.000,-- eiseres een bedrag van ƒ 14.000,-- dient in te teren (was ƒ 29.995,79).
Bij dat besluit heeft verweerder tevens de bezwaren van eiseres tegen het terugvorderingsbesluit van 9 juni 2000 gegrond verklaard.
Blijkens het ingediende beroepschrift kan eiseres zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 26 januari 2001 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 9 april 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mevrouw mr. A.W. van Rutten, kantoorgenote van mevrouw mr. A. van Zutphen, voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mevrouw C. Jeurink.