ECLI:NL:RBALM:2001:AF0132

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
9 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
99/150 R
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Van der Winkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 350 lid 3 FwArt. 350 lid 5 FwArt. 198 FwArt. 313 FwArt. 63 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging schuldsaneringsregeling na overlijden van een echtgenoot in gemeenschap van goederen

In deze zaak behandelde de rechtbank Almelo het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van een echtgenoot na diens overlijden, terwijl de andere echtgenoot eveneens onder de regeling viel. De echtgenoten waren gehuwd in gemeenschap van goederen en beiden waren onderworpen aan een schuldsaneringsregeling na opheffing van hun faillissementen.

De rechtbank stelde vast dat de wettelijke regeling voor tussentijdse beëindiging van schuldsanering limitatief is opgesomd in artikel 350 lid 3 van Pro de Faillissementswet. Het overlijden van de ene echtgenoot maakt dat diens schuldsaneringsregeling moet worden beëindigd, omdat hij niet langer aan zijn verplichtingen kan voldoen. Dit leidt ertoe dat diens nalatenschap van rechtswege in staat van faillissement verkeert.

Echter, de rechtbank verwierp het verzoek om gelijktijdig de schuldsaneringsregeling van de andere echtgenoot te beëindigen. De Hoge Raad had weliswaar geoordeeld dat afwijzing van een verzoek tot schuldsanering van een echtgenoot in gemeenschap van goederen ook afwijzing van het verzoek van de andere tot gevolg heeft, maar deze regel is niet analoog toepasbaar na het overlijden van een echtgenoot. Het huwelijk eindigt door overlijden en de huwelijksgemeenschap wordt ontbonden, waardoor de regeling van de andere echtgenoot onverminderd kan voortduren.

De rechtbank concludeerde daarom dat het faillissement van de nalatenschap van de overleden echtgenoot niet leidt tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de langstlevende echtgenoot. Het verzoek tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de langstlevende echtgenoot werd dan ook afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank weigert de beëindiging van de schuldsaneringsregeling van de langstlevende echtgenoot na het overlijden van de andere echtgenoot.

Uitspraak

Arrondissementrechtbank te Almelo
Arrest gewezen inzake
Bij vonnis van deze kamer van 28 juli 1999 is de definitieve schuldsanering uitgesproken ten aanzien van:
X.,
Wonende te P.,
Appellant,
en
Y.,
Wonende te P.,
Appellant.
Op voormelde datum is ook ten aanzien van de echtgenoot van de schuldenares, Nicolaas J. met wie deze in gemeenschap van goederen was gehuwd, de definitieve schuldsaneringsregeling toegepast.
De rechtbank overweegt als volgt:
In de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling op X en Y staat - voorzover thans van belang - het navolgende vast:
Bij vonnis van deze rechtbank d.d. 1 april 1998 ( faillissementsnummer 46 en 47 van 1998) zijn op eigen aangifte X en Y in staat van faillissementen verklaard; Bij vonnissen van deze rechtbank d.d 28 juli 1999 zijn voormelde faillessement opgeheven onder gelijktijdige uitspraak tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van X en Y.
X en Y waren in gemeenschap van goederen gehuwd. Uit dat huwlijk is een kind geboren;
De rechter-commissaris heeft beide schuldsaneringsregelingen voorgedragen voor beëindiging in verband met het overlijden van N. J.
De rechtbank is van oordeel dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling op wijlen N. J. behoort te worden beëindigd. Blijkens de wetgeschiedenis ( MvT, TK, 22 969, nr. 3, p 64) zijn de gronden voor een tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling, uit het oogpunt van rechtszekerheid, limitatief opgesomd in artikel 350 lid 3 Fw Pro. Aldus biedt de wet aan de rechtbank geen ruimte om op andere gronden ( zoals de ratio van de wet) de toepassing van de schuldsanering jegens wijlen X te beëindigen.
Het systeem van de faillissementswet brengt met zich mee dat, hoewel bij wijlen X tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling van verwijtbaar gedrag geen sprake is geweest, de toepassing van schuldsaneringsregeling jegens wijlen X thans behoort te worden beëindigd op grond van het bepaalde artikel 350 lid 3 onder Pro c Fw. Door diens overlijden is wijlen X immers niet langer in staat om aan zijn - uit de toepassing van de schuldsaneringsregeling voortvloeiende - verplichting te voldoen.
De gevolgen van een beëindiging van de toepassing van schuldsaneringsregeling op een overleden schuldenaar zijn niet uitdrukkelijk in de faillissementswet geregeld. Bij de vaststelling van deze gevolgen in de onderhavige zaak heeft de rechtbank gelet op het systeem van de wet en aansluiting gezocht bij de wel in de wet geregelde gevallen.
Daartoe heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 350 lid 5 en Pro 198 Fw. verkeert een schuldenaar van rechtswege in staat van faillissement zodra een uitspraak tot de beëindiging van een schuldsanering op grond van het bepaalde artikel 350 lid 3 onder Pro c Fw in kracht van gewijsde is gegaan. Blijkens het bepaalde in artikel 198 Fw Pro kan de boedel van een overledene in staat van faillissement van diens nalatenschap.
Dit alles brengt met zich mee dat door de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringregeling van X , diens nalaten schap van rechtswege in staat van faillissement verkeert.
Dat faillissement zal bovendien een praktische oplossing geven voor de afwikkeling van die nalatenschap die op de dag van het overlijden niet toereikend was ter betaling van de schulden van de overledene. Tot de nalatenschap van wijlen X behoort een recht op een deel van de nog niet verdeelde ontbonden huwelijks goederengemeenschap van hem met Y.
De beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling jegens wijlen X is voor de rechtbank geen aanleiding om gelijktijdig de toepassing van jegens A.E. J. -K. te beëindigen Weliswaar heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 12 mei 2000 (ELRO AA5776) - zakelijk weergegeven - overwogen dat ingevolge artikel 313 jo Pro 63 Fw de afwijzing van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling van een in gemeenschap van goederen gehuwde verzoeker tot gevolg heeft dat ook het verzoek van de diens echtgenoot moet worden afgewezen maar voor analoge toepassing van de rechtsregel uit dat rechtsoordeel is in de onderhavige zaak geen aanleiding. Deze rechtsregel van de Hoge Raad past immers niet in het systeem van faillissementswet waarin nu juist uitdrukkelijk wordt uitgegaan van de mogelijkheid dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt uitgesproken voor slechts een der in gemeenschap van goederen gehuwde echtgenoten ( vergelijk artikelen 284 lid 3 jo 63 en 358 jo 299 Fw), terwijl de onderhavige zaak ook afwijkt van het door de Hoge Raad berechte geval doordat het onderhavige huwelijk door het overlijden van een der echtgenoten krachtens artikel 1: 149 BW al is beëindigd en daardoor de huwelijks goederengemeenschap krachtens 1: 99 lid 1 sub a BW van rechtswege is ontbonden.
Tot het vermogen van Y behoort een recht op een deel van de nog niet verdeelde ontbonden huwelijks goederengemeenschap van haar met wijlen X alsmede op een deel ontbonden van zijn nalatenschap. Het faillissement van de nalatenschap van wijlen X brengt derhalve niet met zich mee dat de schuldsaneringsregeling van A.E. J. -K. ook moet worden beëindigd ( en dat Y van rechtswege in staat van faillissement verkeert).
Beslissing
De rechtbank:
weigert de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Gewezen door mr Van der Winkel, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare rechtszitting van 9 maart 2001 in tegenwoordigheid van de griffer.