ECLI:NL:RBALM:2004:AP1314

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
25 maart 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03 / 444 WAO AG1 A
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.L.J. Koopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herbeoordeling arbeidsongeschiktheid en uitkeringsaanpassing op grond van WAO na auto-ongeluk

Eiser, voormalig voorman stratenmaker, werd sinds 1986 arbeidsongeschikt verklaard en ontving een WAO-uitkering. Na een auto-ongeluk in 1999 volgde een nieuwe wachttijd en herbeoordelingen van zijn arbeidsongeschiktheid. In 2001 werd hij ingedeeld in de klasse 35-45% arbeidsongeschikt. Eiser maakte bezwaar tegen deze beoordeling en voerde aan dat zijn beperkingen en de passende functies niet juist waren vastgesteld.

De bezwaarverzekeringsarts en arbeidsdeskundigen onderzochten de medische beperkingen en arbeidsmogelijkheden van eiser, waarbij zij functies aanwijzen die hij nog zou kunnen vervullen. Verweerder baseerde zijn besluit op het Functie Informatie Systeem (FIS), terwijl het beleid voorschrijft dat het nieuwere Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) moet worden gebruikt.

De rechtbank oordeelt dat verweerder het besluit moet vernietigen wegens het ontbreken van motivering waarom het oude FIS werd gebruikt in plaats van het CBBS, en waarom dit niet nadelig zou zijn voor eiser. Desondanks blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat het arbeidskundig onderzoek op basis van het CBBS adequaat en overtuigend is.

De rechtbank wijst de proceskosten toe aan verweerder en bepaalt dat het griffierecht aan eiser wordt vergoed. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector Bestuursrecht
Enkelvoudige Kamer
Registratienummer: 03/444 WAO AG1 A
UITSPRAAK
in het geschil tussen:
A, wonende te B, eiser,
gemachtigde: mr. PH.C. Kleyn van Willigen, werkzaam bij Ten Cate Advocaten te Almelo,
en
De Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen Bouwnijverheid, gevestigd te Zwolle.
1. Aanduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder d.d. 15 april 2003.
2. De feiten en het verloop van de procedure
Eiser was werkzaam als voorman stratenmaker. Wegens rugklachten heeft eiser per 14 juni 1986 zijn werkzaamheden moeten staken. Daarop heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), respectievelijk de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Nadat eiser gedurende de maximale termijn van 52 weken een uitkering ingevolge de Ziektewet had ontvangen, is hem met ingang van 2 juni 1986 een uitkering toegekend ingevolge de AAW, respectievelijk de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
Per december 1995 werd eiser, na herbeoordeling, voor de WAO onveranderd 35-45% arbeidsongeschikt beschouwd. Op 19 oktober 1999 is eiser betrokken geweest bij een auto-ongeluk. Op die datum is wederom een wachttijdperiode van een jaar aangevangen. Begin 2001 heeft een zogenoemde vijfdejaars herbeoordeling plaatsgevonden. Dit heeft ertoe geleid dat verweerder eiser bij besluit van 30 juli 2001 per 31 december 2000 wederom onveranderd 35-45% arbeidsongeschikt heeft geacht. Tegen dit besluit is namens eiser op 17 augustus 2001 een bezwaarschrift ingediend, dat op 27 maart 2002 is voorzien van gronden. Eiser heeft zijn bezwaren tijdens een op 25 september 2002 gehouden hoorzitting nader toegelicht. Bij brief van 19 december 2002 heeft eiser aanvullende gronden van bezwaar ingediend.
Bij besluit van 15 april 2003 heeft verweerder, op de daarin vervatte gronden, welke hier als herhaalt en ingelast worden beschouwd, het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat eiser vanaf 31 december 2000 80-100% en eerst vanaf 29 mei 2003, na het verstrijken van de aanzegtermijn, 35-45% arbeidsongeschikt wordt geacht.
Eiser kan zich blijkens het beroepschrift van 21 mei 2003, dat op 10 juli 2003 is voorzien van gronden, niet met dit besluit verenigen. Verweerder heeft op 12 augustus 2003 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 16 februari 2004, waar eiser is verschenen, bijgestaan door mr. Ph. C. Kleyn van Willigen. Zoals bij brief van 29 januari 2004 al kenbaar was gemaakt, is verweerder niet ter zitting verschenen.
3. Overwegingen
In geschil is de vraag of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard, in die zin dat eiser vanaf 31 december 2000 80-100% en eerst vanaf 29 mei 2003, na het verstrijken van de aanzegtermijn, 35-45% arbeidsongeschikt wordt geacht, in rechte in stand kan blijven.
Wat moet worden verstaan onder arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO, is nader omschreven in artikel 18, eerste lid, van de WAO. Gelet op de wettekst moet de mate van arbeidsongeschiktheid niet alleen op medische, maar ook op arbeidskundige gronden worden bepaald. Bekeken moet worden welke verdiensten de betrokkene thans zou hebben gehad als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, en welke verdiensten hij nog in staat is te verwerven als rekening wordt gehouden met de medische beperkingen ten aanzien van het verrichten van arbeid. Het verschil tussen beide wordt aangemerkt als het verlies aan verdiencapaciteit. Uitgedrukt in een percentage is dit de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de WAO. Om te beoordelen of verweerders besluit op goede gronden berust, dient te worden bezien of de medische mogelijkheden en beperkingen juist zijn vastgesteld en of er voor eiser nog arbeid als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de WAO is aan te wijzen, die hij met inachtneming van de vastgestelde medische beperkingen kan verrichten.
In het onderhavige geval heeft G. Zurel, verzekeringsarts in dienst van verweerders administrateur, op13 november 2000 rapport uitgebracht. Daarin komt de verzekeringsarts tot de conclusie dat, nu het auto-ongeluk waarvan eiser slachtoffer is geworden heeft plaatsgevonden buiten de WAO-verzekerde periode, zodat de (extra) beperkingen die daardoor zijn ontstaan en die zijn weergegeven in het beperkingenpatroon van 13 november 2000, in het kader van de vijfdejaars herbeoordeling van eisers arbeidsongeschiktheid voor de WAO, buiten beschouwing dienen te blijven. In die context is volgens de verzekeringsarts het belastbaarheidspatroon van 26 oktober 1995 van toepassing. Daaruit blijkt dat eiser met name is beperkt ten aanzien van het verrichten van rugbelastende arbeid.
Op basis van deze conclusie is een belastbaarheidspatroon opgesteld. Vervolgens heeft de arbeidsdeskundige J. Wierda bekeken of er voldoende functies te duiden waren die eiser ondanks zijn beperkingen nog zou kunnen vervullen. Blijkens de rapportage van 23 mei 2001 is de arbeidsdeskundige van mening dat dergelijke arbeid inderdaad nog aanwijsbaar is en dat eiser hiermee circa 55% zou kunnen verdienen van het te dezen in aanmerking te nemen loon van een geheel valide voorman stratenmaker.
Gelet op bovenstaande medische en arbeidskundige bevindingen heeft verweerder bij besluit van 30 juli 2001 besloten eisers WAO-uitkering vast te stellen naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35-45%.
Naar aanleiding van het op 17 augustus 2001 ingediende en bij brieven van 27 maart 2002 en 19 december 2002 aanvulde bezwaarschrift, heeft een herbeoordeling plaatsgevonden door de bezwaarverzekeringsarts C.M. de Blécourt-Kuiper. In haar rapport van 31 januari 2003 komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat voor de beoordeling van eisers arbeidsongeschiktheid voor de WAO, uitgegaan dient te worden van het aan de hand van het beperkingenpatroon voor de WAZ van 13 november 2000 gecorrigeerde beperkingenpatroon voor de WAO van 31 januari 2003. De belastbaarheid voor wat betreft traplopen, kortcyclisch buigen en torderen, reiken, tillen en dragen is gewijzigd. Voor zover van toepassing zijn de restricties (overschrijdingen functiebelasting versus belastbaarheid eiser) beoordeeld. Daarbij komt de bezwaarverzekeringsarts tot de conclusie dat alle geduide functies qua belasting passend zijn te achten voor eiser.
Naar aanleiding van het door eiser ingediende bezwaarschrift heeft de bezwaararbeidsdeskundige J. Haverkate de aan de beslissing van 30 juli 2001 ten grondslag liggende arbeidskundige aspecten heroverwogen. Daarbij heeft hij geconstateerd dat de basis van de maatmanloonbepaling niet correct is, omdat de indexering niet juist is toegepast. Het maatmanloon van de in regelmatige dagdienst verrichte arbeid als valide voorman stratenmaker (eisers maatman) dient, anders dan is gebeurd, te worden vastgesteld per 31 december 2000 aan de hand van het op dat moment geldende indexcijfer en bedraagt: (133,7 / 114,1 x ƒ 28,34 = ƒ 33,09. Tevens heeft de bezwaararbeidsdeskundige geconstateerd dat enkel de functie in pakker van geneeslevensmiddelen, cosmeticaproducten (ook wel: inpakker koekjes) passend is. De overige geduide functies worden niet passend geacht omdat eiser qua bekwaamheden (opleiding), eventuele vereiste vaardigheden, arbeidspatroon en arbeidservaring, niet aan de voor de functies gestelde vereisen voldoet. Daarop heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 14 februari 2003 opnieuw het Functie Informatie Systeem (FIS) geraadpleegd en heeft hij aanvullend een aantal functies geduid die op 31 december 2000 actueel waren in het FIS. De in de geduide functies voorkomende belasting werd na overleg tussen de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts, ondanks ogenschijnlijke overschrijdingen, toch geacht binnen eisers belastbaarheid te vallen. Op basis van het schattingsbesluit heeft de bezwaararbeidsdeskundige vervolgens, door uit te gaan van de mediane loonwaarde van de drie functies met de hoogste loonwaarde eisers resterende verdiencapaciteit vastgesteld op ƒ 19,80 per uur, inclusief vakantietoeslag. Door het mediane loon van de geduide functie af te zetten tegen het maatmanloon, heeft de bezwaararbeidsdeskundige eisers loonverlies op 43,2% vastgesteld. Dit resulteert erin dat eiser - conform het primaire besluit - moet worden ingedeeld in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Het advies van de bezwaararbeidsdeskundige luidt dan ook dat er geen aanleiding bestaat dat besluit te herzien.
Na toezending van het bezwaararbeidsdeskundig rapport heeft eiser op 31 maart 2003 te kennen gegeven geen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om voor de tweede keer te worden gehoord.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder besloten het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk gegrond te verklaren, aangezien gebleken is dat het besluit van 30 juli 2001 niet geheel op goede gronden is genomen. Uit onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts is immers gebleken dat het beperkingenpatroon voor de WAO gecorrigeerd diende te worden.
Daarnaast heeft de bezwaararbeidsdeskundige, uitgaand van de gewijzigde belastbaarheid van eiser, geconstateerd dat van de geduide functies, slechts één functie passend was, gelet op bekwaamheden, vereiste vaardigheden, arbeidspatroon en arbeidservaring. Omdat er derhalve per 31 december 2000 niet voldoende functies te duiden waren om een schatting op te baseren, heeft verweerder besloten om eiser per genoemde datum in te delen in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80-100%.
Op basis van een op 14 februari 2003 uitgevoerde raadpleging van het FIS, zijn aanvullend een aantal FB-functies geselecteerd, waarvan er een aantal, na overleg tussen de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, geschikt zijn geacht om een schatting op te baseren. Wanneer het mediane loon van die resterende functies wordt afgezet tegen eisers maatmanloon, resulteert dit volgens verweerder in een mate van arbeidsongeschiktheid van 43,2%. Met inachtneming van een aanzegtermijn van twee maanden, die aanvangt de dag na de dagtekening van de aanzegbrief, betekent dit, zo stelt verweerder, dat eisers uitkering ingevolge de WAO per 29 mei 2003 dient te worden herzien en uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Per laatstgenoemde datum bedraagt eisers WAO-uitkering 28% van 100/108 van € 28,09 bruto per uitkeringsdag.
In beroep heeft eiser aangevoerd dat er in van de functie printplatenmonteur (FB-code 8538) een forse overschrijding bestaat ten aanzien van het item zitten. Waar de verwoording belastbaarheid belanghebbende uitgaat van een maximale belastbaarheid ten aanzien van dit item van een half uur aaneengesloten de gehele werkdag, is blijkens de verwoording functiebelasting sprake van één uur aaneengesloten zitten gedurende de gehele werkdag. Waar de bezwaararbeidsdeskundige in zijn rapport van 27 maart 2003 aangeeft dat in de functie voldoende mogelijkheden tot vertreding aanwezig moeten zijn, blijkt dit volgens eiser in ieder geval niet uit de verkorte functie-omschrijving. Kennelijk is er telefonisch contact geweest tussen de bezwaararbeidsdeskundige en een zekere Nijhuis, waaruit eiser zou moeten afleiden dat er een mogelijkheid bestaat om kortstondig te vertreden. Eiser is van mening dat allerminst is komen vast te staan dat er daadwerkelijk voldoende vertredingsmogelijkheden in deze functie bestaan, te meer daar niet is beschreven op welke wijze er regelmatig kan worden vertreden. Daarbij merkt eiser nog op dat hij een mogelijkheid tot kortstondig vertreden ten enenmale onvoldoende acht om zijn rug te ontlasten. Bovendien is het in eisers ogen helemaal niet vanzelfsprekend dat er kan worden vertreden. Enerzijds niet omdat blijkens de verwoording functiebelasting de gestelde productienorm moet worden gehaald (item 28) en anderzijds niet omdat deze functie inhoudelijk erg veel lijkt op de functie monteur (FB-code 8539) welke functie geen mogelijkheid tot vertreding kent en om die reden niet als passend door verweerder is geduid. Bij laatstgenoemde functie hoeft zelfs geen productienorm te worden gehaald. Eiser acht deze functie derhalve niet passend.
Ook met betrekking tot de functie medewerker vul- en stikwerk matrassen, dekbedden (FB-code 7965) stelt eiser zich op het standpunt dat uit de verwoording functiebelasting niet blijkt of deze functie een vertredingsmogelijkheid kent. Waar het overzicht verkorte functie-omschrijving bij de functie inpakker van geneesmiddelen, cosmetica uitdrukkelijk wordt vermeld dat er een vertredingsmogelijkheid bestaat, blijkt dit niet uit het overzicht verkorte functie-omschrijving behorende bij onderhavige functie. Eiser gaat er dan ook voorshands vanuit dat er geen mogelijkheid bestaat tot regelmatige vertreding en acht om die reden deze functie evenmin passend.
In zijn van 12 augustus 2003 daterende verweerschrift verwijst verweerder naar de reactie die de bezwaararbeidsdeskundige op 1 augustus 2003 op het aanvullend beroepschrift heeft gegeven. Naar aanleiding van eisers opmerking dat bij twee van de geduide functies in de arbeidsmogelijkhedenlijst de ervaringseis niet is ingevuld, geeft hij daarin aan dat het feit dat niets is ingevuld betekent dat er geen specifieke ervaring voor de functie is vereist. Met betrekking tot eisers grief dat in de functie printplatenmonteur de maximale belastbaarheid ten aanzien van het item zitten fors wordt overschreden, merkt de bezwaararbeidsdeskundige op dat de functie een zitbelasting kent ‘vrijwel de gehele dag één uur aaneengesloten’.
Dit betekent dat de aaneengesloten duur van zitten tussen 30 en 60 minuten bedraagt. De bezwaararbeidsdeskundige heeft de functie op 20 februari 2003 besproken met de bezwaarverzekeringsarts. Uit het verslag dat van die bespreking is gemaakt blijkt dat de functie acceptabel wordt geacht indien er voldoende vertredingsmogelijkheden zijn. Om duidelijk te krijgen of dat in deze functie te realiseren is, heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 17 maart 2003 telefonisch contact opgenomen met de heer J. Nijhuis, arbeidsdeskundig analist bij het UWV. Laatstgenoemde heeft de onderhavige functie ten behoeve van het FIS geanalyseerd. Zijns inziens biedt de functie voldoende mogelijkheden om naar eigen inzicht het zitten kortstondig te onderbreken om even te vertreden. Over de functie medewerker vul- en stikwerk matrassen, dekbedden, merkt de bezwaararbeidsdeskundige op dat de aaneengesloten duur van zitten in die functie maximaal 15 minuten bedraagt, waarmee de belasting ruimschoots binnen de aangegeven belastbaarheid blijft.
Onder verwijzing naar jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer gepubliceerd in RVS 2001/219 en USZ 2001/201, merkt verweerder nog op dat het voldoende aannemelijk is dat de functies de mogelijkheid kennen dat daarin in voldoende mate kan worden vertreden indien in de voorgehouden functies de facto minimaal 30 minuten en maximaal één uur aaneengesloten wordt gezeten waarna een onderbreking volgt waarbij substantieel andere activiteiten worden ondernomen, waardoor recuperatie kan plaatsvinden.
Op 18 augustus 2003 heeft de bezwaararbeidsdeskundige een aanvullende rapportage uitgebracht, waarin hij heeft aangegeven dat de door hem passend geachte functies die op 31 december 2000 actueel waren in het FIS, dat op 29 mei 2003 niet meer waren. Onder de term actueel wordt in dat verband begrepen dat niet meer dan 18 maanden zijn verstreken sinds de arbeidsdeskundig analist de functie heeft onderzocht. Derhalve heeft de bezwaararbeidsdeskundige beoordeeld of de functies na 31 december 2000 opnieuw zijn onderzocht/geënquêteerd. Daarbij is tevens gekeken of de functie-eisen, respectievelijk de belasting in de functie in het ClaimBeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS), dat het FIS heeft vervangen, evident zijn gewijzigd en of de functie(s) nog voldoende arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Op basis van dit onderzoek is de bezwaararbeidsdeskundige tot de conclusie gekomen dat de drie FB-code functies die ten grondslag zijn gelegd aan de mediane loonwaarde (al dan niet onder een ander functienummer) allen actueel zijn. Ook zijn de functies qua inhoud niet veranderd evenals de opleidingseisen, arbeidsomvang en dergelijke en vertegenwoordigen de functies voldoende arbeidsplaatsen. Omdat de functiebelasting in het CBBS anders wordt weergegeven dan in het FIS zijn er geringe verschillen. Dit leidt echter niet tot een overschrijding van de voor eiser aangegeven belastbaarheid. De omstandigheid dat het item zitten in de functie inpakker van genees-, levensmiddelen-, cosmeticaproducten op het eerste gezicht een restrictie oplevert, aangezien zitten een aaneengesloten duur van ongeveer 45 minuten kent, leidt aldus de bezwaararbeidsdeskundige niet tot een overschrijding van eisers belastbaarheid op dit punt, omdat de duur eventueel in het roulatiesysteem met plaatswissel is te bekorten tot een voor eiser acceptabele aaneengesloten duur van zitten.
De rechtbank moet constateren dat verweerder in strijd met haar eigen beleid en zonder nadere redengeving de bestreden beslissing heeft doen baseren op resultaten voortspruitend uit het Functie Informatie Systeem (FIS) in plaats van op resultaten volgend uit het Claim beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Verweerder is conform haar publiek gemaakte voornemen het laatstgeduide systeem gaan hanteren als basis voor haar besluitvorming met ingang van 1 januari 2002, en wel in de plaats van het “oude” FIS.
Het zonder nadere redengeving in deze beslissing op bezwaar uitgaan van de resultaten van het FIS, moet naar het oordeel van de rechtbank reeds leiden tot vernietiging van de bestreden beslissing. Vooral het gemis aan redengeving in het bestreden besluit springt hierbij dan in het oog. Verweerder had toch in elk geval moeten duidelijk maken waarom in casu in afwijking van het eigen beleid is gekozen voor het hanteren van FIS resultaten in plaats van CBBS resultaten. Daarbij komt dat aldus niet duidelijk wordt gemaakt in de beslissing op bezwaar waarom eiser door deze van het beleid afwijkende aanpak niet kan zijn geschaad in diens belangen omdat het CBBS in casu mogelijk toch “voordeliger” voor eiser had kunnen pakken. Of anders gezegd: bij de van het beleid afwijkende keuze voor het FIS had verweerder duidellijk moeten maken dat dat ook de voor eiser meest gunstige aanpak was. Die redengeving ontbreekt, zoals gezegd.
De rechtbank is echter van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten en zij zal dienovereenkomstig beslissen. De eerst in dit geding bij de rechtbank in het geding gebrachte aanvullende rapportage van de bezwaararbeidskundige is naar het oordeel van de rechtbank overtuigend en adequaat gemotiveerd. De rechtbank heeft daarin geen fouten kunnen ontdekken. Dit hernieuwde arbeidskundig onderzoek heeft plaats gevonden op basis van uit het CBBS volgende resultaten. De rechtbank kan zich vinden in het resultaat van dat gedegen en voldoende beargumenteerde onderzoek met als resultaat dat de geringe functiebelastbaarheidsverschillen (met de FIS resultaten), niet leiden tot een overschrijding van de voor eiser aangegeven belastbaarheid.
De slotom is dan ook dat als volgt moet worden beslist.
4. Beslissing
De Rechtbank Almelo,
Recht doende:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,-- en wijst het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
- bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,-- aan hem vergoedt.
Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.
Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2004 door mr. M.L.J. Koopmans, in tegenwoordigheid van mr. G.F.S. Sloet - van der Kolk als griffier.
Afschrift verzonden op
AW