ECLI:NL:RBALM:2004:AQ8926

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
25 augustus 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
65943 FT RK 693/04
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing faillissementsverzoek wegens onvoldoende onderbouwing en administratieve wanorde

De rechtbank Almelo behandelde het verzoek tot faillietverklaring van een onderneming, ingediend door meerdere stichtingen en het UWV. De rechtbank stelde vast dat de verzoeksters hun vorderingen onvoldoende hadden onderbouwd en dat de administratie gebrekkig was. Diverse vorderingen bleken zelfs betaald te zijn, wat door de wederpartij met bankafschriften werd aangetoond.

Daarnaast bood de wederpartij aan om met administratiedocumenten aan te tonen dat overige vorderingen, indien correct, ook voldaan waren. Een verklaring van de administrateur van de wederpartij toonde aan dat er sprake was van administratieve wanorde bij verzoeksters, waardoor de rechtbank de administratieve gegevens onvoldoende vond als grondslag voor een faillissementsaanvraag.

Gezien de grote gevolgen van een faillissement achtte de rechtbank het noodzakelijk dat verzoeksters zich nauwgezet zouden kwijten van hun taak bij de aanvraag. Het variëren van bedragen en het verzwijgen van betalingen werden als onzorgvuldig beoordeeld. Omdat niet was komen vast te staan dat de wederpartij was opgehouden met betalen, wees de rechtbank het verzoek af en veroordeelde verzoeksters in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot faillietverklaring is afgewezen wegens onvoldoende bewijs van betalingsonmacht en gebrekkige administratie.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
De rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken:
Gezien het op 13 augustus 2004 ter griffie van deze rechtbank ingediende verzoekschrift onder nummer 65943 FT RK 693/04, ingediend door de procureur mr. H.A.A. Kienhuis te Almelo,
namens:
1) De rechtspersoon naar publiek recht, Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), optredend voor zichzelf, zowel als gemandateerde namens de navolgende verzoeksters,
2) De stichting Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Landbouw (BPL),
3) De stichting Stichting Uittreding Werknemers Agrarische Sectoren (Suwas),
4) De stichting Stichting Uitvoering WW-Aanvulling Agrarische Sectoren (Suwas II),
5) De stichting Stichting Bureau Ondersteuning Collectieve Arbeidsvoorwaarden (Boar),
6) De stichting Stichting ter Ondersteuning van Activiteiten op het gebied van Voorlichting, Vorming en Scholing van Werknemers in de Landbouw (Stivos),
7) De stichting Stichting tot Ontwikkeling en Scholing van Werknemers in Agrarische Sectoren (Stosas),
strekkende tot faillietverklaring van
[gerekestreerde], gevestigd en zaakdoende te [vestigingsplaats],
Kwekerijweg 5;
Gelet op de behandeling van dat verzoekschrift in raadkamer van deze rechtbank
d.d. 25 augustus 2004;
Overweegt:
Nog los van alle overige verweren – waarbij de rechtbank het verweer verwerpt dat verzoeksters niet bevoegd zouden zijn om een faillissementsaanvrage te doen omdat zulks op grond van het Besluit Incasso en Invordering van 18 april 2000 de uitsluitende bevoegdheid van het Lisv zou zijn; in voormeld besluit staat een dergelijke beperking niet te lezen – geldt dat gerekestreerde de door verzoeksters gestelde vorderingen gemotiveerd betwist. Van twee (samengestelde) vorderingen die verzoeksters aan hun verzoek ten grondslag leggen heeft gerekestreerde met bankafschriften ter zitting aangetoond dat deze geheel (krachtens gemaakte afspraak) zijn betaald. Van een regeling en de betalingen wordt in het rekest geheel niet gerept. Gerekestreerde heeft voorts aangeboden met behulp van enkele dozen bevattende administratie aan te tonen dat overige vorderingen, zo al correct, zijn betaald. Daarnaast heeft gerekestreerde een verklaring van haar administrateur overgelegd houdende een opgave van de perikelen met (de administratie van) verzoeksters en de wijze waarop vruchteloos is getracht de aan de zijde van verzoeksters levende problemen (administratieve wanorde) op te lossen.
Het niet vermelden van betalingen, het opvoeren van steeds wisselende bedragen, en het van het kastje naar de muur sturen lijken standaardpractijk te worden bij aanvragers als verzoeksters. In ieder geval is het de rechtbank wederom in deze zaak en overigens de afgelopen maanden gebleken dat de wijze waarop verzoeksters (en aanverwante instellingen) hun administratie voeren zodanig gebrekkig is, dat die administratieve gegevens, tenzij deze niet worden weersproken of door schuldenaren volmondig worden onderschreven, onvoldoende zijn om als serieuze grondslag voor een verzoek tot faillietverklaring te worden aangemerkt. Een faillissement heeft voor betrokkenen grote gevolgen en van verzoeksters mag dan ook worden gevergd dat zij zich met nauwgezetheid van hun taak kwijten vóór en bij de aanvraag van een faillissement. Eindeloos variëren met bedragen hoort daar niet bij, om over het voor de rechtbank in rekesten compleet verzwijgen van integrale betaling maar te zwijgen.
Nu niet summierlijk is komen vast te staan dat gerekestreerde verkeert in de toestand dat zij is opgehouden te betalen, wordt het verzoek afgewezen. Verzoeksters dienen in de kosten van het geding te worden veroordeeld.
BESCHIKKENDE:
Wijst voormeld verzoek tot faillietverklaring af.
Veroordeelt verzoekster in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak aan de zijde van gerekwestreerde begroot op ? 390,00.
Aldus gedaan te Almelo op 25 augustus 2004 door mr. Verhoeven, lid van voormelde enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van Van der Woude, griffier.