2. De feiten en het verloop van de procedure
Bij brief van 30 januari 2004 heeft verweerder Sportcentrum [naam] meegedeeld dat hij in beginsel medewerking wil verlenen aan de vestiging van een sportcentrum op de bovenverdieping van een bedrijfspand aan de [adres te plaats] (hierna: het perceel), in eigendom bij [derde] (hierna: vergunninghouder).
Bij aanvraagformulier van 16 maart 2004, binnengekomen 17 maart 2004, heeft vergunninghouder verweerder verzocht hem een lichte bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van het gebruik en de indeling van een deel van de eerste verdieping van het bedrijfspand op het perceel.
Het voornemen tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) heeft vanaf 16 april 2004 gedurende vier weken voor een ieder ter visie gelegen. Verzoeker heeft tegen dit voornemen zijn zienswijze kenbaar gemaakt bij brief van 16 april 2004.
Bij besluit van 6 juli 2004, verzonden 15 juli 2004 (primair besluit 1; nummer 20040113), heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO (juncto artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro)) en bouwvergunning verleend inzake het wijzigen van het gebruik en indeling van de eerste verdieping van het bedrijfspand op het perceel.
Bij brief van 23 juli 2004 heeft verzoeker tegen primair besluit 1 een bezwaarschrift ingediend.
Op 17 juni 2004 heeft vergunninghouder verweerder een schetsplan doen toekomen met betrekking tot het eveneens gebruiken van de begane grond van het bedrijfspand als sportschool. Bij brief van 8 juli 2004 heeft verweerder meegedeeld hieraan in beginsel medewerking te willen verlenen. Daarbij is aangegeven dat voor dit gewijzigde bouwplan wederom de vrijstellingsprocedure ex artikel 19, derde lid, van de WRO doorlopen dient te worden. Het voornemen tot het verlenen van vrijstelling heeft vanaf 16 juli 2004 gedurende vier weken ter visie gelegen. Bij brieven van 23 juli en 22 augustus 2004 heeft verzoeker zijn zienswijze kenbaar gemaakt.
Bij aanvraagformulier van 24 augustus 2004, binnengekomen 25 augustus 2004, heeft vergunninghouder verweerder verzocht hem een lichte bouwvergunning te verlenen voor het wijzigen van het gebruik en de indeling van een deel van de begane grond en de eerste verdieping van een bedrijfspand op het perceel.
Bij besluit van 5 oktober 2004, verzonden 18 oktober 2004 (primair besluit 2, nummer 20040408), heeft verweerder vrijstelling als bedoeld in artikel 19, derde lid, van de WRO (juncto artikel 20, eerste lid, aanhef en onder e, van Bro) en bouwvergunning verleend voor het wijzigen van het gebruik en de indeling van een deel van de begane grond en de eerste verdieping van een bedrijfspand op het perceel.
Bij brief van 22 oktober 2004 heeft verzoeker tegen primair besluit 2 een bezwaarschrift ingediend.
Bij brief van 25 oktober 2004 heeft verweerder inhoudelijk gereageerd op de zienswijzen van verzoeker van 21 april, 23 juli en 22 augustus 2004. Het bezwaarschrift, gericht tegen primair besluit 2, is aangevuld bij brieven van 17 en 29 november 2004.