ECLI:NL:RBALM:2005:AU7003
Rechtbank Almelo
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsuitkering minderjarige zonder verblijfstitel wegens koppelingswet
Verzoeker, een minderjarige met de Syrische nationaliteit, verblijft sinds 2001 zonder verblijfstitel in Nederland. Zijn moeder, die hem wettelijk vertegenwoordigt, vroeg bijstand aan op grond van de Wet Werk en Bijstand (WWB) voor de kosten van levensonderhoud. De gemeente Enschede wees dit verzoek af omdat verzoeker noch zijn moeder rechtmatig in Nederland verblijven en zij niet tot de kring van rechthebbenden behoren volgens de WWB.
De voorzieningenrechter overweegt dat hoewel de WWB personen onder de 18 jaar in principe uitsluit van bijstand, zeer dringende redenen een uitzondering kunnen vormen. Verzoekers moeder is financieel niet in staat om in de noodzakelijke kosten te voorzien, wat een spoedeisend belang oplevert. De rechter verwijst naar het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK), dat discriminatie verbiedt en de belangen van het kind voorop stelt.
De gemeente stelde dat artikel 16, tweede lid, WWB bijstandsverlening aan vreemdelingen zonder verblijfsrecht uitsluit, maar de voorzieningenrechter volgt de Centrale Raad van Beroep in het oordeel dat dit artikel buiten toepassing moet worden gelaten voor verzoeker. De verblijfsstatus van de ouders is niet doorslaggevend en het koppelingsbeginsel kan niet rechtvaardigen dat minderjarige kinderen geheel worden uitgesloten van bijstand.
De voorzieningenrechter beveelt daarom dat vanaf 4 november 2005 bijstand wordt verleend ter hoogte van het verschil tussen het normbedrag voor een alleenstaande ouder en dat voor een alleenstaande. Tevens wordt de gemeente veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe en beveelt bijstand aan de minderjarige vanaf 4 november 2005.