ECLI:NL:RBALM:2005:AU9635

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
30 december 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/1644
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • M.L.J. Koopmans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbWoningwetWet Milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening wegens ontbreken belanghebbendestatus bij handhaving bestemmingsplan en Woningwet

De Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu verzocht de gemeente Dinkelland handhavend op te treden tegen de verkoop en opslag van vuurwerk door X V.O.F. De gemeente wees dit verzoek af, waarbij de stichting niet als belanghebbende werd erkend voor handhaving op grond van het bestemmingsplan en de Woningwet.

De stichting stelde vervolgens een voorlopige voorziening in bij de rechtbank Almelo om het besluit te schorsen en handhaving af te dwingen. De voorzieningenrechter oordeelde dat de stichting op grond van haar statutaire doelstellingen niet als belanghebbende kan worden aangemerkt voor handhaving van het bestemmingsplan en de Woningwet, omdat deze belangen niet in haar doelomschrijving zijn opgenomen.

De rechtbank overwoog dat het belang dat de stichting behartigt niet direct en in het bijzonder het belang van ruimtelijke ordening betreft, maar zich richt op milieu, natuur, landschap en duurzaamheid. Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de stichting niet als belanghebbende wordt aangemerkt.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector bestuursrecht
Registratienummer: AWB 05 / 1644 GEMWT AG1 V
uitspraak van de voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 8:84 Algemene Pro wet bestuursrecht d.d. 30 december 2005
in het geschil tussen:
Stichting Ruimtelijke Ordening en Milieu,
gezeteld in Hengelo(ov), verzoekster,
gemachtigde: M.H. Middelkamp, werkzaam voor milieu-adviesbureau Middelkamp te Almelo,
en
het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Dinkelland,
gevestigd te Denekamp, verweerder,
gemachtigde: E.C.B. Hoitink,
en
X V.O.F,
gevestigd te Weerselo, derde belanghebbende,
vertegenwoordigd door Y, wonende te Weerselo,
gemachtigde: mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede.
1. Besluit waarop het verzoek betrekking heeft
Besluit van verweerder d.d. 28 december 2005.
2. De feiten en het verloop van de procedure
Verzoekster heeft op 23 december 2005 verweerder gevraagd om handhavend op te treden tegen de verkoop en opslag van vuurwerk door X V.O.F. (hierna te noemen: X). Bij primair besluit van 28 december 2005 is door verweerder op dit verzoek beslist. Daarbij heeft verweerder het verzoek afgewezen voor zover het is gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Vuurwerkbesluit. Voor zover het verzoek is gebaseerd op strijd met bestemmingsplan en/of Woningwet heeft verweerder verzoekster niet-ontvankelijk verklaard omdat zij in zoverre niet als belanghebbende wordt aangemerkt.
Op 28 december heeft verzoekster tegen dat primaire besluit een bezwaarschrift ingediend. Het bezwaar richt zich alleen tegen het onderdeel van het besluit waarbij verzoekster niet-ontvankelijk is verklaard.
Bij verzoekschrift van 28 december 2005 is aan de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende schorsing van het besluit van 28 december 2005 en te bepalen dat verweerder handhavend behoort op te treden en uiterlijk op 28 december 2005 om 18.00 uur een nieuw besluit dient te nemen op het verzoek tot handhaving.
3. Overwegingen
Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, door de indiener van het bezwaarschrift aan de voorzieningenrechter van de rechtbank een voorlopige voorziening worden gevraagd.
Bij de beoordeling van een zodanig verzoek dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Voorzover deze toetsing meebrengt dat een oordeel wordt uitgesproken dat tevens het onderwerp van de bezwarenprocedure raakt, heeft dit oordeel een voorlopig karakter.
Door verzoekster zijn (nog) geen rechtsmiddelen aangewend tegen het deel van het primaire besluit waarin wordt beslist dat – kort gezegd – geen sprake is van strijd met milieuwetgeving en dat door X bij de opslag en verkoop van vuurwerk in overeenstemming wordt gehandeld met het Vuurwerkbesluit. Door verzoekster is terzake dit deel van het primaire besluit geen voorlopige voorziening verzocht aan de Voorzitter van de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State. Desgevraagd is namens verzoekster verklaard dat zij dat ook niet van plan is dit te doen.
Gelet hierop dient in het onderhavige geding de vraag te worden beantwoord of onverwijlde spoed vereist dat het besluit van 28 december 2005, voor zover daarmee verzoekster niet als belanghebbende is aangemerkt in haar verzoek om handhavend op te treden in verband met handelen in strijd met het bestemmingsplan en het ontbreken van een bouwvergunning voor de vuurwerkbewaarplaats, wordt geschorst dan wel dat anderszins een voorlopige voorziening wordt getroffen. Hieromtrent wordt het volgende overwogen.
Vooropgesteld moet worden dat verzoekster op grond van artikel 1:2, derde lid, Awb alleen als belanghebbende kan worden aangemerkt indien aan een aantal vereisten is voldaan. In vaste rechtspraak van de Afdeling Rechtspraak is dit nader uitgewerkt. Een belangrijk vereiste in dit verband is dat het aan de statutaire doelstelling ontleende collectieve belang direct moet zijn/worden aangetast en dat het een belang moet betreffen dat op basis van die statutaire doelstelling “in het bijzonder” wordt behartigd.
Het hier relevante deel van de doelstelling van verzoeker luidt blijkens haar statuten (artikel 2 lid Pro 1) als volgt:
“De stichting stelt zich ten doel een bijdrage te leveren aan het oplossen en voorkomen van milieuproblemen en het behoud van cultureel erfgoed, alsmede te streven naar een duurzame samenleving en het bevorderen van openbaar vervoer. Dit alles op mondiaal, landelijk, regionaal en lokaal niveau, in de meest ruime zin.”
In artikel 2 lid 2 van Pro die statuten staat nog de volgende hier relevante verduidelijking van de doelstelling verwoord:
“De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door: het kritisch volgen van al die ontwikkelingen die effect hebben op het gebied van milieu, natuur, landschap en duurzaamheid, (.….)”.
De voorzieningenrechter moet, voorshands oordelend, constateren dat in deze aldus verwoorde doelstelling niet is te lezen c.q. te begrijpen de behartiging van het belang van een correcte ruimtelijke ordening en/of het bouwen in overeenstemming met de Woningwet. Het gaat daarbij immers niet tevens en automatisch altijd om het oplossen/voorkomen van milieuproblemen. De omstandigheid dat milieu(technische) aspecten soms een rol kunnen spelen bij het verlenen van een bouwvergunningen c.q. bij het nemen van ruimtelijk ordeningsrechtelijke besluiten, maakt niet dat hier anders moet worden geoordeeld.
Dit maakt dat voor zover door verzoekster aan verweerder handhaving is verzocht van het bestemmingsplan en/of de Woningwet, verzoekster door verweerder terecht niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, Awb is aangemerkt. Handhaving van bestemmingsplannen en de Woningwet heeft verzoekster zich niet tot doel gesteld.
Het staat niet in de doelomschrijving te lezen en het kan er in redelijkheid ook niet in worden gelezen, ook niet in samenhang met andere statutaire bepalingen. Daar waar de doelstelling bewust zeer veelomvattend wordt gemaakt, gaat het er juist om, om bij de omschrijving van de manieren waarop de stichting die ruim geformuleerde doelstelling wenst te bereiken, duidelijk te zijn. Die duidelijkheid ontbreekt hier echter, zoals hiervoor is uiteengezet.
De slotsom luidt dan ook dat in na te melden zin moet worden beslist.
4. Beslissing
De voorzieningenrechter van de Rechtbank Almelo,
Recht doende:
wijst af het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Aldus gegeven door mr. M.L.J. Koopmans, in tegenwoordigheid van G.J. Doeleman als griffier.
Afschrift verzonden op
CK