ECLI:NL:RBALM:2006:AY6118
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Breitbarth
- Rechtspraak.nl
Vordering tot schadevergoeding op grond van aansprakelijkheid motorrijtuigen en gezag van gewijsde
De zaak betreft een vordering van N.V. Noordhollandsche van 1816 tegen een gedaagde die als bestuurster van een BMW betrokken was bij een ongeval in 2003. Noordhollandsche vordert €5.000,- schadevergoeding plus rente en proceskosten, stellende dat de verzekeringsovereenkomst nietig is en de gedaagde aansprakelijk is op grond van artikel 15 lid 1 Wet Pro aansprakelijkheid motorrijtuigen.
Eerder was bij verstek vonnis gewezen waarbij de gedaagde en haar vader hoofdelijk veroordeeld werden tot betaling van een bedrag wegens schade uit een ongeval in 2002. Noordhollandsche beroept zich op het positieve gezag van gewijsde van dat vonnis. De gedaagde betwist echter dat het vonnis aan haar is betekend en stelt dat zij pas bij conclusie van repliek kennis heeft genomen van het vonnis, waardoor de verzettermijn nog loopt.
De rechtbank oordeelt dat gezag van gewijsde slechts toekomt aan een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en dat de verzettermijn begint te lopen bij betekening of een daad van bekendheid. Omdat niet is gesteld dat het vonnis aan de gedaagde is betekend, maar zij wel een daad van bekendheid heeft gepleegd bij conclusie van dupliek, loopt de termijn vanaf dat moment.
De gedaagde wordt in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een eventueel verzet tegen het verstekvonnis. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan en verwijst de zaak naar een civiele rolzitting voor het nemen van een akte over het verzet.
Uitkomst: De rechtbank houdt verdere beslissing aan en stelt de gedaagde in de gelegenheid zich uit te laten over verzet tegen het verstekvonnis.