ECLI:NL:RBALM:2007:BA1353

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
20 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08/000357-04
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Rikken
  • Caminada
  • Bordenga
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24d SrArt. 36e SrArt. 511b SvArt. 511d SvArt. 511e Sv
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel uit speelautomaten in cafetaria

In deze ontnemingsprocedure volgt de rechtbank Almelo op een eerdere veroordeling van verdachte en zijn cafetaria. De rechtbank beoordeelt het verweer van de raadsman dat er tussen oktober 2002 en mei 2003 geen speelautomaten aanwezig zouden zijn geweest. Uit aanvullend politiedossier blijkt echter dat er in deze periode ongebruikelijke pintransacties plaatsvonden, wat duidt op voortgezette activiteiten met speelautomaten.

De rechtbank stelt vast dat het wederrechtelijk verkregen voordeel voor de jaren 2003 en 2004 lager is dan door het Openbaar Ministerie gevorderd, omdat het uitgekeerde geld aan gokkers niet is meegerekend. Dit bedrag wordt geschat op 25% van de gevorderde sommen voor die jaren. Voor de persoonlijke ontneming van verdachte wordt geen verlaging toegepast omdat het voordeel is omgezet in vermogen, zoals een boot en een huis.

De rechtbank baseert haar oordeel uitsluitend op wettige bewijsmiddelen en volgt de lijn van de Hoge Raad omtrent belastingvraagstukken, waarbij belastingzaken buiten de ontnemingsprocedure worden gehouden. Op grond van artikel 36e Wetboek van Strafrecht en relevante artikelen uit het Wetboek van Strafvordering wordt verdachte verplicht tot betaling van 80.000 euro aan de Staat der Nederlanden.

Uitkomst: Verdachte wordt verplicht tot betaling van 80.000 euro aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Parketnummer: 08/000357-04
Beslissing ex art. 36e Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank te Almelo, meervoudige kamer voor strafzaken:
Gezien de "ontnemingsvordering" van de officier van justitie te Almelo, in de strafzaak met voormeld parketnummer tegen:
[verdachte],
geboren te plaats] en [datum] 1960,
wonende te [adres],
strekkende tot het opleggen aan voornoemde [verdachte] van de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden, ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, in die vordering omschreven;
Gezien de stukken die de officier van justitie aan de rechtbank heeft doen toekomen, op welke de vordering berust, te weten het strafdossier met voormeld parketnummer en een "ontnemingsdossier";
Gelet op het op de voet van artikel 511d van het Wetboek van Strafvordering gehouden onderzoek ter openbare terechtzitting van 5 maart 2007, alwaar voormelde vordering is behandeld en waarbij zijn gehoord: de officier van justitie en voornoemde [verdachte], bijgestaan door de raadsman, mr. L.J. Speijdel;
O V E R W E G E N D E:
De rechtbank is naar aanleiding van voormelde vordering en het onderzoek ter terechtzitting tot het oordeel gekomen dat voormelde maatregel moet worden opgelegd, en de schatting van de omvang van dat in geld waardeerbare wederrechtelijk verkregen voordeel is door de rechtbank slechts ontleend aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen (aan te hechten en als hier ingelast te beschouwen) ten aanzien van deze verdachte;
Ten aanzien van het verweer van de raadsman omtrent de geheven belasting en nog te heffen belasting overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om af te wijken van de lijn die de Hoge Raad heeft gekozen op dit punt (zie HR 17 februari 1998, NJ 1998, 499). In dit arrest wordt ook verwezen naar de Memorie van Toelichting bij de wijziging van artikel 36e Wetboek van Strafrecht en hieruit blijkt dat het ook de bedoeling van de wetgever is geweest om belastingvraagstukken aan de belastingdienst te houden en inmenging van rechtbank en openbaar ministerie op dit punt te voorkomen (Kamerstukken II 1989-1990, 21 504, nr. 3, blz. 79 t/m 82).
Over het verweer van de raadsman ten aanzien van de periode oktober 2002 tot en met mei 2003 waarin geen speelautomaten aanwezig zouden zijn geweest in de cafetaria overweegt de rechtbank als volgt. Uit een aanvullend proces-verbaal met bijlagen van de politie Twente, opgesteld naar aanleiding van vragen van
mr. Speijdel, blijkt dat er gedurende bovenstaande periode grote bedragen zijn gepind in cafetaria [naam]. De rechtbank is van oordeel dat uit deze aanvullende stukken blijkt dat er gedurende deze periode ongebruikelijke pintransacties hebben plaatsgevonden die normaliter niet of slechts zelden in een cafetaria zouden plaatsvinden. Deze pintransacties, die onder meer blijken uit de afschriften van de heer [derde] en de uitdraai van Interpay, wijzen er op dat gedurende de ter discussie staande periode de activiteiten met speelautomaten niet hebben stilgelegen.
De rechtbank acht voor wat betreft de jaren 2003 en 2004 het wederrechtelijk verkregen voordeel lager dan door de officier van justitie is gevorderd. Bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voor deze jaren is immers het aan gokkers uitgekeerde geld niet meegerekend. De rechtbank schat dit bedrag op
25 % van de gevorderde bedragen voor 2003 en 2004.
De rechtbank komt tot het oordeel dat door deze verlaging, de vordering op de cafetaria [naam] voor een lager bedrag dient te worden toegewezen. Dit, omdat het wederrechtelijk verkregen voordeel van [naam] persoonlijk is omgezet in vermogen in de vorm van een boot en een huis. Hierdoor komt het in het kader van de ontneming toe te wijzen bedrag voor [naam] persoonlijk niet in aanmerking voor verlaging.
Gelet op de artikelen 24d en 36e Wetboek van Strafrecht en de artikelen 511b, 511d, 511e en 511f van het Wetboek van Strafvordering;
R E C H T D O E N D E :
Schat het door [naam], voornoemd, wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 80.000.
Verplicht [naam], voornoemd, tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag groot € 80.000.
Aldus beslist door mr. Rikken, voorzitter, mrs. Caminada en Bordenga, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. Bosch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op
20 maart 2007.