Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBALM:2008:BD1913

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
21 maart 2008
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
92896 FT RK 288/2008
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.G. Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 lid 4 FaillissementswetArt. 287 lid 6 FaillissementswetArt. 284 FaillissementswetArt. 15b lid 2 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek voorlopige voorziening ter voorkoming van uithuiszetting tijdens faillissement niet-ontvankelijk

Op 18 maart 2008 werd het faillissement van verzoeker uitgesproken. Verzoeker diende op 20 maart 2008 een verzoek in tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling, met daarnaast een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ter voorkoming van uithuiszetting.

De rechtbank oordeelt dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro niet-ontvankelijk is omdat deze regeling bedoeld is voor situaties voorafgaand aan een insolventieregime, terwijl hier reeds sprake is van een gefixeerde situatie door het faillissement. De rechtbank stelt dat voor zover de fixatie zich niet uitstrekt tot de vordering tot ontruiming, de normale weg van kort geding gevolgd moet worden.

De kantonrechter had eerder de huurovereenkomst ontbonden en ontruiming bevolen. De rechtbank benadrukt dat het verzoekschrift tot opheffing van het faillissement onder toepassing van de schuldsaneringsregeling op 13 mei 2008 zal worden behandeld. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot voorlopige voorziening en wordt niet gehoord op dit verzoek.

Uitkomst: Verzoeker is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector Civiel
Zaaknummer: 92896 FT RK 288/2008
Datum uitspraak: 21 maart 2008
Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:
[verzoeker],
geboren op,
wonende te Almelo,
Het procesverloop
Op 18 maart 2008 is op diens verzoek het faillissement van [verzoeker] uitgesproken.
[verzoeker] heeft op 20 maart 2008 een verzoekschrift ingediend het faillissement op te heffen onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
In het verzoekschrift is eveneens gevraagd een voorlopige voorziening te treffen teneinde uithuiszetting te voorkomen.
[verzoeker] is niet gehoord op zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De beoordeling:
Bij vonnis van 4 december 2007 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst tussen [verhuurder] en [verzoeker] betreffende de woning aan de [] te Almelo ontbonden en [verzoeker] veroordeeld vorengenoemde woning binnen 14 dagen na betekening van het vonnis van de kantonrechter te ontruimen.
Op 10 maart 2008 is de ontruiming van de woning van [verzoeker] aan de [] te Almelo op 26 maart 2008 aangezegd.
De rechtbank merkt, mede gelet op de wijze van indiening, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening teneinde uithuiszetting te voorkomen aan als een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening in de zin van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro.
In artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro is bepaald dat de voorlopige voorziening moet worden gevraagd in het verzoekschrift of, indien dit al is ingediend, bij afzonderlijk verzoekschrift. Met het eerstgenoemde verzoekschrift wordt gedoeld op het verzoekschrift zoals dat is omschreven in artikel 284 Faillissementswet Pro. Het thans door [verzoeker] gedane (omzettings)verzoek is een verzoek ex artikel 15b lid2 Fw. In artikel 15b lid 2 Faillissementswet wordt bepaald dat een gefailleerde een verzoek tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling moet indienen bij een verzoekschrift als bedoeld in artikel 284 Faillissementswet Pro.
De rechtbank overweegt dat, nu het indienen van een verzoekschrift tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling dient plaats te vinden op de wijze die in artikel 284 Faillissementswet Pro is voorgeschreven, geconcludeerd zou kunnen worden dat de weg van het laten treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro voor [verzoeker] zou openstaan.
De rechtbank overweegt daartoe dat de mogelijkheid tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro is bestemd voor het geval dat in afwachting van de behandeling van het verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, derhalve voorafgaand aan en ten behoeve van een succesvolle wettelijke regeling een toestand wordt gefixeerd. In de onderhavige situatie is daartoe geen noodzaak: er is sprake van fixatie ten gevolge van een insolventieregime, namelijk het uitgesproken faillissement.
De rechtbank is van oordeel dat [verzoeker] door tijdens zijn faillissement een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro in te dienen, een oneigenlijke weg bewandelt. Niet aannemelijk is dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om een vereenvoudigde mogelijkheid tot het treffen van een voorlopige voorziening voorafgaand aan (en ten behoeve van) een insolventieregime ook te laten gelden voor de periode gedurende welke een (ander) insolventieregime reeds van toepassing is.
Nu [verzoeker] failliet is verklaard, is er reeds sprake van een gefixeerde situatie. Voor zover die fixatie zich niet uitstrekt over het aan de orde zijnde onderwerp, de vordering tot ontruiming, dient ter voorkoming van een mogelijk onrechtmatige ontruiming de “normale weg” van een kort geding te worden gevolgd.
De rechtbank verklaart [verzoeker] in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillisssementswet Pro dan ook niet-ontvankelijk.
De rechtbank concludeert, op grond van artikel 287 lid 6 Faillissementswet Pro dat de rechtbank niet is gehouden [verzoeker] te horen op zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro.
Het verzoekschrift tot opheffing van het faillissement onder gelijktijdige toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal op 13 mei 2008 ter zitting door de rechtbank worden behandeld. [verzoeker] zal bij afzonderlijk schrijven voor deze behandeling worden opgeroepen.
De beslissing:
De rechtbank:
verklaart [verzoeker] in zijn verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 287 lid 4 Faillissementswet Pro niet-ontvankelijk.
Gewezen door mr. G.G. Vermeulen, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 21 maart 2008 in tegenwoordigheid van de griffier.