ECLI:NL:RBALM:2009:BH4739
Rechtbank Almelo
- Kort geding
- Haarhuis
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering opheffing derdenbeslag op kinderopvangtoeslag
In deze zaak vordert eiseres de opheffing van een executoriaal derdenbeslag dat door gedaagde is gelegd op de kinderopvangtoeslag die eiseres ontvangt. Het beslag is gelegd onder de Belastingdienst/Toeslagen te Utrecht op de toeslag die op grond van de Wet Kinderopvang aan eiseres wordt verstrekt.
Eiseres stelt dat het beslag in strijd is met het beslagverbod van artikel 45 van Pro de Algemene Wet Inkomensafhankelijke Regelingen (AWIR), omdat de toeslag niet vatbaar zou zijn voor beslag. Gedaagde voert aan dat de uitzondering op het beslagverbod van toepassing is, omdat het beslag betrekking heeft op een vordering tot nakoming van een betalingsverplichting voor geleverde kinderopvang.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de uitzondering van artikel 45 lid 1 onder Pro a AWIR van toepassing is en dat het beslagrechtelijk niet beperkt is tot de kinderopvangorganisatie die op het moment van beslaglegging de opvang verzorgt. De Leidraad Invordering is een beleidsregel waar eiseres zich niet op kan beroepen. Het beslag is daarom niet onrechtmatig en de vordering tot opheffing wordt afgewezen.
Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is gewezen door voorzieningenrechter Haarhuis en uitgesproken op 3 maart 2009.
Uitkomst: De vordering tot opheffing van het derdenbeslag op de kinderopvangtoeslag wordt afgewezen.