ECLI:NL:RBALM:2010:BM2125

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
21 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09 / 983 BESLU BN1 A
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:2 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:1 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken bezwaar door belanghebbende bij weigering kapvergunning

De zaak betreft een kapvergunning die door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente is geweigerd. De echtgenoot van eiseres had de kapvergunning aangevraagd en bezwaar gemaakt tegen de weigering, waarna de rechtbank het bezwaarbesluit vernietigde en het college opdroeg een nieuw besluit te nemen. Na een nieuwe afwijzing stelde de echtgenote zelf beroep in bij de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat hoewel de echtgenote als belanghebbende kan worden aangemerkt omdat zij dezelfde woning bewoont en een materieel belang heeft bij het kappen van de bomen, zij niet zelf bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit. Volgens artikel 7:1 van Pro de Awb is het noodzakelijk eerst bezwaar te maken voordat beroep kan worden ingesteld.

Omdat de echtgenote niet gemachtigd was om namens haar echtgenoot op te treden en zelf geen bezwaar had ingediend, wordt haar beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank benadrukt dat het onderzoek naar ontvankelijkheid een fundamenteel onderdeel van de rechterlijke toetsing is en dat hieraan niet voorbij kan worden gegaan.

De uitspraak werd gedaan door rechter S.A. van Hoof op 21 april 2010 en is in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep van de echtgenote wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector bestuursrecht
Registratienummer: 09 / 983 BESLU BN1 A
uitspraak van de enkelvoudige kamer als bedoeld in artikel 8:54 Algemene Pro wet bestuursrecht
in het geschil tussen:
[A],
wonende te Markelo, eiseres,
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hof van Twente,
gevestigd te Goor, verweerder.
1. Bestreden besluit
Besluit van verweerder van 16 juni 2009.
2. Procesverloop
Door [B], echtgenoot van eiseres, is op 17 maart 2008 een aanvraag ingediend voor de kap van vier eiken staande op het perceel [X]. Bij besluit van 20 mei 2008 heeft verweerder de gevraagde kapvergunning geweigerd.
Bij besluit van 30 september 2008 heeft verweerder de hiertegen door [B] ingediende bezwaren ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [B] beroep ingesteld bij de rechtbank. Bij uitspraak van 20 mei 2009 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 30 september 2008 vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
Bij besluit van 16 juni 2009 (verzonden 18 augustus 2009) heeft verweerder de bezwaren van [B] opnieuw ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft eiseres op 6 september 2009 beroep ingesteld bij de rechtbank.
3. Overwegingen
Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb, kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Onder een belanghebbende wordt ingevolge het bepaalde in artikel 1:2 van Pro de Awb verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij het bestreden besluit is betrokken.
Ingevolge artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), voor zover hier van belang, dient degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken.
Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiseres niet als belanghebbende kan worden aangemerkt in de zin van artikel 1:2 van Pro de Awb, nu niet zij maar haar echtgenoot de kapvergunning heeft gevraagd en tegen de weigering daarvan is opgekomen. Naar de mening van verweerder dient het beroep van eiseres om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.
De rechtbank overweegt in dit verband het volgende.
Vooropgesteld wordt dat niet is gebleken dat eiseres door haar echtgenoot is gemachtigd om tegen de beslissing op bezwaar in beroep te komen. Ook uit het beroepschrift kan dit niet worden afgeleid. Aldus bezien moet het er voor worden gehouden dat zij (enkel) voor haarzelf beroep heeft ingesteld.
De rechtbank stelt met verweerder vast dat eiseres niet de adressant is van het bestreden besluit en de kapvergunning ook niet heeft aangevraagd. Daarmee komt – zoals verweerder terecht heeft opgemerkt – de vraag op of eiseres wel in haar beroep kan worden ontvangen. Het enkele gegeven dat sprake is van een huwelijksrelatie met de aanvrager van de vergunning is in dit verband immers niet voldoende.
Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld ABRS 18 augustus 2004, LJN AQ7003), is in beginsel slechts het belang van de aanvrager rechtstreeks betrokken bij een besluit tot weigering van een vergunning. Dit neemt niet weg dat onder omstandigheden ook een ander dan de aanvrager als belanghebbende bij een besluit tot weigering van een vergunning kan worden aangemerkt. Deze omstandigheden doen zich naar het oordeel van de rechtbank in dit geval voor.
Daartoe wordt overwogen dat eiseres en haar echtgenoot dezelfde woning bewonen en het belang van eiseres is gelegen binnen de invloedssfeer van het besluit tot weigering van de kapvergunning, nu ook zij wil dat de betreffende bomen worden gekapt. In die situatie, waarin eiseres ook zelf een materieel belang heeft bij de aangelegenheid waarop het betrokken besluit ziet, komt haar – anders dan verweerder meent – een rechtstreeks belang toe als bedoeld in artikel 1:2 van Pro de Awb. Daarbij geldt dat een aanvraag om verlening van een kapvergunning niet zodanig met de persoon van de aanvrager is verweven, dat reeds om die reden enkel de aanvrager als belanghebbende kan worden beschouwd bij de afwijzing daarvan.
Voorgaande betekent echter nog niet dat eiseres ook in haar beroep kan worden ontvangen.
Zoals volgt uit het hiervoor weergegeven artikel 7:1 van Pro de Awb dient een belanghebbende, voordat hij tegen een besluit beroep instelt, eerst tegen dat besluit bezwaar te maken. Dit nu heeft eiseres niet gedaan. Het is immers de echtgenoot van eiseres die bezwaar heeft gemaakt. Daarmee is het beroep ingesteld door een belanghebbende die niet zelf bezwaar heeft gemaakt, zodat het bepaalde in artikel 7:1 van Pro de Awb, in samenhang bezien met het bepaalde in artikel 8:1 van Pro die wet, aan een ontvankelijk beroep in de weg staat.
De conclusie dient dan ook te zijn dat het beroep van eiseres niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. De rechtbank beseft dat eiseres (en haar echtgenoot) deze wijze van afdoening op zijn minst als weinig bevredigend zullen ervaren. Het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het beroep vormt echter een dusdanig elementair onderdeel van de rechterlijke toetsing, dat hieraan niet kan worden voorbijgegaan.
Gelet op het voorgaande vindt de rechtbank aanleiding het onderzoek te sluiten en uitspraak te doen met toepassing van het bepaalde in artikel 8:54, eerste lid onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beslist wordt derhalve als volgt:
4. Beslissing
De rechtbank Almelo,
recht doende:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. S.A. van Hoof als rechter, in tegenwoordigheid van G.J. Doeleman als griffier en in het openbaar uitgesproken op
De griffier, De rechter,
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending verzet worden gedaan bij deze rechtbank.
Uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.
Afschrift verzonden op
PA