ECLI:NL:RBALM:2010:BM5043
Rechtbank Almelo
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing incassovordering Rabobank wegens onvoldoende aannemelijkheid in kort geding
De Rabobank vordert betaling van ruim vijf miljoen euro van [gedaagde] wegens niet-nakoming van een financieringsovereenkomst en opschortende voorwaarden. De Rabobank stelt dat [gedaagde] niet heeft betaald zoals overeengekomen en dat zij daardoor een spoedeisend belang heeft.
[Gedaagde] voert verweer dat hij niet heeft betaald omdat hij heeft gedwaald over essentiële informatie die de Rabobank had moeten verstrekken, met name over de integriteit van Carbo en haar directeur en de betrouwbaarheid van financiële gegevens. Hij stelt dat de opschortende voorwaarden mede ten zijn behoeve zijn opgenomen, waardoor de overeenkomst niet in werking is getreden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat voor toewijzing in kort geding het bestaan en de omvang van de vordering voldoende aannemelijk moeten zijn, hetgeen hier ontbreekt. Er is onvoldoende bewijs dat de rechter in een bodemprocedure tot toewijzing zal komen, mede vanwege de geschilpunten over de uitleg van de opschortende voorwaarden en het beroep op dwaling.
Daarom wijst de rechtbank de vordering af en veroordeelt de Rabobank in de proceskosten. De uitspraak benadrukt dat nader bewijs en getuigenverhoor in een bodemprocedure nodig zijn om de rechtmatigheid van de vordering vast te stellen.
Uitkomst: De vordering van de Rabobank wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van de vordering in kort geding.