ECLI:NL:RBALM:2010:BM7396
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opheffing faillissement wegens niet te goeder trouw en niet nakomen inlichtingenplicht
Verzoekers, beiden failliet verklaard sinds januari 2007, vroegen opheffing van hun faillissement onder toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank oordeelde dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw waren ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun schulden in de vijf jaar voorafgaand aan het faillissementsverzoek.
De schulden waren ontstaan doordat verzoeker sub 1 een niet levensvatbare onderneming voortzette, ondanks kennis daarvan en het manipuleren van jaarstukken om financiers te misleiden. Adviezen om faillissement aan te vragen werden genegeerd. Tevens was sprake van valsheid in geschrifte en faillissementsfraude, hetgeen strafbaar is en niet verenigbaar met de schuldsaneringsregeling.
Voorts heeft verzoeker sub 1 tijdens het faillissement vier maanden gijzeling ondergaan wegens het niet verstrekken van voldoende informatie, waardoor de rechtbank twijfelde aan de nakoming van de inlichtingenplicht. Verzoeker sub 2 kon niet aannemelijk maken dat zij te goeder trouw was, omdat zij zich niet voldoende had vergewist van de terugbetaalbaarheid van de leningen.
De rechtbank concludeerde dat de verzoeken tot opheffing van het faillissement onder schuldsanering niet konden worden toegewezen en wees deze af.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het faillissement onder schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens niet te goeder trouw handelen en niet nakomen van de inlichtingenplicht.