ECLI:NL:RBALM:2010:BM8648

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
11 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
110741 / KG ZA 10-94
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Van Houten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering nakoming kinderalimentatieovereenkomst wegens onvoldoende bewijs

In deze zaak vordert de vrouw betaling van een achterstallige kinderalimentatie en een maandelijkse bijdrage van de man voor hun twee minderjarige kinderen. Zij stelt dat partijen in 2008 afspraken hebben gemaakt over de hoogte van de alimentatie, die de man niet nakomt.

De man betwist het bestaan van een bindende overeenkomst en wijst op zijn onzekere financiële situatie. De rechtbank oordeelt dat uit de stukken en de toelichting ter zitting niet kan worden afgeleid dat er een duidelijke en bindende afspraak is gemaakt over de alimentatiebedragen.

De rechtbank wijst de vordering af en compenseert de proceskosten zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De zaak betreft de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen uit een eerdere affectieve relatie.

Uitkomst: De vordering tot nakoming van de kinderalimentatieovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector civiel recht
zaaknummer: 110741 / KG ZA 10-94
datum vonnis: 11 juni 2010 (ha)
Vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Almelo, rechtdoende in kort geding, in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. L.P.F.M.C. Leeters,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. W.H. Kesler.
Het procesverloop
De vrouw heeft gevorderd als vermeld in de dagvaarding.
De zaak is behandeld ter terechtzitting van 4 juni 2010. Ter zitting zijn verschenen: de vrouw, bijgestaan door mr. Leeters, en de man, bijgestaan door mr. Kesler. De standpunten zijn toegelicht. Het vonnis is bepaald op vandaag.
De beoordeling van het geschil en de motivering van de beslissing
1. In deze zaak staat het navolgende vast. Partijen hebben een affectieve relatie gehad van juni 1998 tot mei 2008. Uit die relatie zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren.
2. In kort geding vordert de vrouw, samengevat -uitvoerbaar bij voorraad- betaling door de man van € 1.584,60. Voorts vordert de vrouw te bepalen dat de man, zolang de onderhoudsbijdrage niet in onderling overleg dan wel bij beschikking van de rechtbank wordt gewijzigd, bij vooruitbetaling zal voldoen een bedrag van € 637,74 per kind per maand.
3. Als grondslag voor haar vordering stelt de vrouw, samengevat, het volgende. In augustus 2008 is tussen partijen een voorlopige afspraak gemaakt met betrekking tot de kinderalimentatie. Afgesproken werd dat de man met € 500,= per kind per maand zou bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de beide kinderen. Eind 2008 zijn partijen overeengekomen dat de man vanaf januari 2009 € 1.200,= ten behoeve van de beide kinderen aan de vrouw zal voldoen. Hier tegenover zou staan dat de vrouw vanaf dat moment de bijdrage voor de kinderopvang voor haar rekening zou nemen. Ingevolge wettelijke indexering bedraagt de bijdrage met ingang van 1 januari 2009 € 1.246,80 voor de beide kinderen. Volgens de vrouw weigert de man de overeenkomst na te komen en heeft hij inmiddels een betalingsachterstand opgelopen van € 1.584,60.
Als spoedeisend belang stelt de vrouw dat zij ten gevolge van de weigering van de man maandelijks een substantieel deel van de overeengekomen bijdrage misloopt, terwijl zij hoge kosten heeft die ze zelf maar moeilijk kan voldoen.
4. De man heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Hij bevestigt dat partijen eind 2008 met elkaar hebben gesproken over de bijdrage voor de kinderen, maar volgens de man is er geen sprake is geweest van een bindende overeenkomst met de vrouw die hem verplicht de door haar gestelde bijdrage, of het thans gevorderde, te voldoen. Tijdens de bespreking heeft hij de vrouw ingelicht over zijn onzekere financiële situatie en meegedeeld dat die situatie mogelijk gevolgen kan hebben voor een kinderbijdrage. Wel heeft hij tegen de vrouw gezegd zijn best te zullen doen om maandelijks € 1.200,= te betalen.
5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van de vrouw behoort te worden afgewezen. Met haar vordering beoogt de vrouw nakoming van de door haar gestelde overeenkomst, waarbij de man zich verplicht zou hebben tot het leveren van een bijdrage voor de kinderen van thans € 637,74 per kind maand en uit welke overeenkomst is voortgekomen dat de man thans een betalingsachterstand van € 1.584,60 heeft opgebouwd.
Zowel de vrouw als de man heeft te kennen gegeven dat er meerdere keren sprake is geweest van gesprekken en onderhandelingen over de kinderbijdrage. Echter een uitdrukkelijke overeenkomst tussen partijen over de hoogte van de door de man te betalen bijdrage kan de voorzieningenrechter voorshands niet afleiden uit de door de vrouw geproduceerde stukken en uit de door haar ter zitting gegeven toelichting.
Dat de man vanaf 2008 betalingen aan de vrouw heeft gedaan ten behoeve van de kinderen impliceert naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorshands evenmin dat daarmee voor de man een verplichting is ontstaan die rechtvaardigt dat thans in kort geding het door de vrouw gevorderde wordt toegewezen.
Uit het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat partijen van mening verschillen over de financiële draagkracht van de man en daarmee over de hoogte van de door hem te betalen kinderalimentatie. De aard van dit kort geding verzet zich er tegen om te beoordelen of de draagkracht van de man de voorlopig door de vrouw verzochte kinderbijdrage toelaat.
6. Gelet op de omstandigheid dat partijen een affectieve relatie met elkaar hebben gehad en het geschil de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van hun uit die relatie geboren kinderen betreft, ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren zoals hierna vermeld.
De beslissing
De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding,
1. wijst de vordering van de vrouw af, en
2. compenseert de kosten van dit geding in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen te Almelo door mr. Van Houten, voorzieningenrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2010, in tegenwoordigheid van de griffier.