ECLI:NL:RBALM:2011:BQ5965
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussentijdse beëindiging van schuldsaneringsregelingen wegens nieuwe niet-verwijtbare schuld
De rechtbank Almelo heeft op 26 april 2011 uitspraak gedaan over de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregelingen van twee gehuwde schuldenaren. De rechter-commissaris verzocht de beëindiging omdat tijdens de regeling een schuld van €3.813,59 aan het UWV was ontstaan die niet binnen de looptijd kon worden afgelost. De schuld betrof ten onrechte ontvangen toeslagen in 2006, zonder sprake van fraude.
Ter zitting verklaarden de schuldenaren niet op de hoogte te zijn geweest van deze toeslag en hielden zij zich aan de overige verplichtingen. De rechtbank oordeelde dat de schuld tijdens de regeling was ontstaan en dat de nieuwe schuld, gelet op de negatieve spaarcapaciteit en arbeidsongeschiktheid, niet aflosbaar was voor het reguliere einde van de regeling. Omdat de schuldenaren gehuwd zijn in gemeenschap van goederen, kon het UWV ook verhaal halen op het aandeel van de echtgeno(o)t(e).
De rechtbank achtte het ontstaan van de schuld niet verwijtbaar, waardoor een nieuw verzoek tot schuldsanering binnen tien jaar niet geweigerd hoeft te worden. De regeling wordt beëindigd met vaststelling van het salaris van de bewindvoerder en instructies over de verdeling van het resterende boedelactief.
Uitkomst: De rechtbank beëindigt de schuldsaneringsregelingen wegens een nieuwe niet-verwijtbare schuld die niet kan worden afgelost binnen de regeling.