ECLI:NL:RBALM:2011:BR1514
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.H. van Rhijn
- Rechtspraak.nl
Huurster niet ontvankelijk in schadevordering wegens eerdere procedure bij huurcommissie
Een huurster klaagde sinds het begin van haar huur over gebreken aan de keuken van haar woning, eerst mondeling en later schriftelijk. Na uitblijven van herstel door de verhuurder, de woningstichting De Woonplaats, wendde zij zich in maart 2010 tot de huurcommissie met een verzoek om huurprijsvermindering wegens verminderd huurgenot. De huurcommissie kende een tijdelijke huurprijsvermindering toe voor de periode vanaf 1 maart 2010.
Vervolgens stelde de huurster een schadevergoeding te vorderen bij de kantonrechter voor een eerdere periode (1 januari 2008 tot 1 maart 2010), gelijk aan een evenredige huurprijsvermindering. De kantonrechter oordeelde dat de wet niet voorziet in het toestaan van een tweede procedure bij de kantonrechter over hetzelfde feitencomplex nadat de huurcommissie reeds een uitspraak heeft gedaan. De vordering werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
De kantonrechter verwees naar de parlementaire geschiedenis en het wettelijke kader, waaronder artikel 7:257 lid 3 BW Pro, dat een vervaltermijn van zes maanden kent. De huurster had reeds een keuze gemaakt voor de huurcommissie, waardoor zij niet opnieuw een procedure kon starten bij de kantonrechter over hetzelfde gebrek. De huurster werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Vordering van huurster niet-ontvankelijk verklaard wegens eerdere procedure bij huurcommissie over hetzelfde gebrek.