ECLI:NL:RBALM:2011:BR6433
Rechtbank Almelo
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.H. van Rhijn
- Rechtspraak.nl
Kantonrechter wijst beroep op verjaring onder Canadees recht af in fraudeschadezaak
In deze civiele procedure stond de vraag centraal of de vordering van eiser tegen gedaagde was verjaard volgens het recht van British Columbia (Canada), toepasselijk op het geschil. Eiser stelde dat hij pas in 2003 volledig bewust was van de fraude en dat eerdere procedures de verjaring hadden gestuit. Gedaagde betwistte dit en stelde dat de verjaring reeds in 1995 was begonnen en niet was gestuit.
De kantonrechter oordeelde dat eiser reeds in 1995 volledig bewust was van de fraude, onder meer omdat toen al aangifte bij de Canadese politie was gedaan en de schade toen was berekend. De Limitation Act van British Columbia kent geen regeling vergelijkbaar met het Nederlandse artikel 3:316 lid 1 BW Pro over stuiting door procedure. Ook een betaling van NLG 74.000 door gedaagde aan eiser, die betrekking had op een geldlening en niet op de fraude, stuit de verjaring niet.
De kantonrechter wees het verjaringsverweer toe en verwierp de vordering van eiser. Tevens werd eiser veroordeeld in de proceskosten. Partijen waren het erover eens dat het Canadese recht van toepassing was, en de rechter vond dat het Nederlandse recht geen rechtvaardiger resultaat zou opleveren.
De uitspraak werd gedaan door kantonrechter M.H. van Rhijn te Enschede op 30 augustus 2011.
Uitkomst: De vordering van eiser wordt afgewezen wegens verjaring onder het recht van British Columbia.