ECLI:NL:RBALM:2011:BT7259
Rechtbank Almelo
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering achterstallige huur wegens fictieve huurovereenkomst
In deze zaak stond de vraag centraal of tussen eiser en gedaagde een rechtsgeldige huurovereenkomst tot stand was gekomen en of gedaagde nog achterstallige huur verschuldigd was. Gedaagde betwistte het bestaan van een daadwerkelijke huurovereenkomst en stelde dat het huurcontract slechts als fiscale dekmantel diende voor voorschotten op de grondprijs. Eiser vorderde betaling van achterstallige huurpenningen en contractuele boetes.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er voldoende aanwijzingen zijn voor het bestaan van een huurovereenkomst, mede gelet op de ondertekende overeenkomst, de betalingskenmerken en het feit dat gedaagde de bedrijfsruimte met toestemming van eiser onderverhuurde. Het primaire verweer van gedaagde werd verworpen.
Vervolgens werd vastgesteld dat gedaagde in de periode van januari 2004 tot mei 2011 ruim € 400.000 had betaald, meer dan de totale huurpenningen tot het einde van de huurovereenkomst in juli 2012. Hierdoor was de vordering van eiser tot betaling van achterstallige huur niet toewijsbaar. De vordering werd afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot betaling van achterstallige huur en boetes wordt afgewezen omdat gedaagde reeds meer heeft betaald dan verschuldigd.