Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBALM:2012:BY5341

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
19 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
127960 FT RK 359/12
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toelating schuldsanering wegens gebrek aan goede trouw

Verzoekster, een alleenstaande vrouw en voormalig ondernemer, vroeg toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Zij exploiteerde een onderneming in hypotheek-, krediet- en verzekeringsbemiddeling, die vanaf 2009 als eenmanszaak werd gedreven. De totale schuldenlast bedroeg circa €186.711,50, waaronder leningen, leaseschulden en belastingschulden.

De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet te goeder trouw was. Zij had een deel van haar verzekeringsportefeuille om niet overgedragen aan haar huidige werkgever zonder taxatie, terwijl de portefeuille volgens jaarcijfers enige waarde vertegenwoordigde. Daarnaast was zij niet te goeder trouw met betrekking tot een in 2009 aangegaan leasecontract voor een dure auto, terwijl zij wist of had moeten weten dat zij de financiële verplichtingen niet kon nakomen.

De rechtbank vond dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij zich tot het uiterste had ingespannen om zoveel mogelijk baten voor schuldeisers te verwerven. Er waren geen bijzondere omstandigheden die toelating tot schuldsanering rechtvaardigden. Daarom werd het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot toelating tot schuldsanering wordt afgewezen wegens gebrek aan goede trouw.

Uitspraak

RECHTBANK ALMELO
Sector Civiel
Zaaknummer: 127960 FT RK 359/12
Datum uitspraak: 19 juni 2012
Vonnis van de rechtbank Almelo, enkelvoudige kamer voor burgerlijke zaken, op het verzoek van:
[Verzoekster],
geboren op [1973] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
verzoeker, ook te noemen: [verzoekster].
Het procesverloop
[Verzoekster] heeft een verzoekschrift ingediend de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uit te spreken.
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 5 juni 2012. Ter zitting is [verzoekster] met haar huidige werkgever, de heer [H], verder te noemen: [H], verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Het vonnis is bepaald op vandaag.
De beoordeling:
De feiten
[Verzoekster] is een alleenstaande vrouw van 39 jaar. [Verzoekster] is gescheiden in mei 2010. [Verzoekster] heeft één kind van nu vier jaar. [Verzoekster] heeft vanaf 1 september 2004 tot 1 juni 2010 LaVé Advies geëxploiteerd, een onderneming die zich bezig hield met hypotheek-, krediet- en verzekeringenbemiddeling. [Verzoekster] heeft de onderneming vanaf 1 juli 2009 in de vorm van een eenmanszaak gedreven. [Verzoekster] is thans werkzaam bij [H].
De totale schuldenlast bedraagt volgens de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro
€ 186.711,50, waaronder de volgende schulden:
- ABN AMRO Bank ad € 80.111,49;
- United Capital ad € 45.681,52;
- Innovation Lease ad € 12.937,50;
- Generali Verzekeringsgroep ad € 12.379,32 + € 5.284,--;
- Belastingdienst ad € 10.403,-- + € 5.950,--.
Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet Pro met bijlagen blijkt dat de lening van de ABN AMRO Bank is aangegaan in 2006 en een zakelijke lening betreft. De schuld aan United Capital en de schuld aan Generali van € 12.378,32 zijn ontstaan in 2010. De schuld aan de belastingdienst van € 10.403,-- bestaat uit inkomstenbelasting 2007. De schuld van
€ 5.950,-- bestaat uit inkomstenbelasting 2008.
Uit de balans en winst- en verliesrekening per 30 juni 2010 blijkt dat de netto omzet in 2009 € 63.036,-- bedroeg en dat er sprake was van vorderingen van € 62.073,--.
De toelichting van [verzoekster]
[Verzoekster] heeft verklaard dat de onderneming bijna gedurende haar gehele bestaan een eenmanszaak is geweest. In 2009 is de onderneming korte tijd in de vorm van een vof gedreven met als mede vennoot de toenmalige echtgenoot van [verzoekster], de heer [L], verder te noemen: [L]. De ABN AMRO Bank ging er echter niet mee akkoord dat [L] toetrad tot de onderneming, gelet op zijn financiële verleden. De onderneming is dientengevolge verder gedreven in de vorm van een eenmanszaak.
[Verzoekster] heeft verklaard dat het zakelijk krediet bij de ABN AMRO Bank in de loop der jaren is verhoogd. In maart 2009 zijn [verzoekster] en [L] allebei een nieuw leasecontract aangegaan, omdat hun lopende leasecontracten afliepen. [Verzoekster] is een leasecontract aangegaan voor een Opel Insignia. [L] heeft volgens [verzoekster] een kleine zakelijke auto geleased. Volgens [verzoekster] ging het ten tijde van het afsluiten van de leasecontracten al minder goed met de onderneming. Volgens [verzoekster] zijn United Capital en Generali bij de bepaling van de hoogte van hun vorderingen uitgegaan van de situatie van royement. Volgens [verzoekster] heeft ze, zij het laat, inkomstenbelastingaangifte gedaan. De inkomstenbelastingaanslag betreffende het jaar 2007 is hoog, omdat er in dat jaar nog ‘goed werd gedraaid’.
[H] heeft bij het eindigen van de onderneming een aantal verzekeringsportefeuilles overgenomen en heeft [verzoekster] in dienst genomen om deze portefeuilles te beheren. [H] heeft voor de overgenomen portefeuilles niets betaald, omdat het terugboekrisico van de portefeuilles groot is en de opbrengsten eruit laag zijn. Volgens [H] is er sprake van doorlopende provisie van € 700,-- per maand. [Verzoekster] heeft verklaard dat ze de portefeuilles, naast aan [H], aan twee andere ondernemingen heeft aangeboden, maar die waren volgens [verzoekster] niet geïnteresseerd. [H] heeft verklaard dat hij 80 à 90 klanten heeft overgenomen. [Verzoekster] heeft verklaard dat de portefeuilles niet zijn getaxeerd.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat het verzoek van [verzoekster] moet worden afgewezen. [Verzoekster] heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van haar schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend, te goeder trouw is geweest. [Verzoekster] heeft immers een vermogensbestanddeel van haar onderneming, zijnde een deel van de verzekeringsportefeuille, om niet aan [H] overgedragen zonder dat er aan de overdracht een taxatie ten grondslag lag. Door taxatie achterwege te laten, valt niet vast te stellen of [verzoekster] zich tot het uiterste heeft ingespannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Gelet op de behaalde omzet in 2009 en het bedrag aan vorderingen dat op de balans is opgevoerd, acht de rechtbank aannemelijk dat de onderneming van [verzoekster] enige waarde vertegenwoordigde. De rechtbank is, gelet op vorenstaande, van oordeel dat [verzoekster] niet aannemelijk heeft gemaakt dat ze te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden. Voorts heeft [verzoekster], naar het oordeel van de rechtbank, niet aannemelijk gemaakt dat ze te goeder trouw is geweest ten aanzien van de schuld aan Innovation Lease, nu [verzoekster] in 2009, terwijl het reeds minder goed ging met de onderneming, nog een nieuw leasecontract is aangegaan voor de aanschaf van een dure luxe nieuwe auto. [Verzoekster] wist of had moeten weten dat ze de uit het leasecontract voortvloeiende financiële verplichtingen, gelet op de resultaten van de onderneming, niet zou kunnen nakomen. Het aangaan van dit leasecontract moet [verzoekster] dan ook in ernstige mate worden verweten.
Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het verzoek desondanks zou moeten worden toegewezen, is onvoldoende gebleken.
De beslissing:
de rechtbank:
wijst het verzoek af.
Gewezen door mr. M.M. Lorist, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dinsdag 19 juni 2012, in tegenwoordigheid van de griffier .