ECLI:NL:RBALM:2012:BY8404

Rechtbank Almelo

Datum uitspraak
21 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
133876 / KG RK 615-12
Instantie
Rechtbank Almelo
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 RvArt. 37 RvWetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek kantonrechter in loonvordering en tegenvordering

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de kantonrechter die de loonvordering van verzoeker grotendeels had toegewezen en daarnaast de tegenvordering van gedaagde in reconventie in behandeling nam. Verzoeker betoogde dat de kantonrechter onterecht gedaagde in de gelegenheid stelde bewijs te leveren dat verzoeker zaken niet had teruggegeven, en dat de procedure onnodig lang duurde, wat leidde tot hogere advocatenkosten.

De wrakingskamer stelt voorop dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij er uitzonderlijke omstandigheden zijn die objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigen. De kamer oordeelt dat de kantonrechter binnen de wettelijke kaders heeft gehandeld, onder meer door uitstel te verlenen aan gedaagde en door de tegenvordering in behandeling te nemen.

Er is geen sprake van feiten of omstandigheden die wijzen op partijdigheid. Het feit dat de procedure langer dan twee maanden duurt, is het gevolg van het toepassen van het beginsel van hoor en wederhoor en kan geen reden zijn voor wraking. Het wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK ALMELO
Sector civiel recht
zaaknummer / rekestnummer: 133876 / KG RK 615-12
Datum beschikking: 21 december 2012
Beschikking van de meervoudige kamer voor burgerlijke zaken op een verzoek tot wraking als bedoeld in artikel 36 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) op het verzoek van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker tot wraking,
verder te noemen [verzoeker],
strekkende tot wraking van
mr. G. van Eerden,
kantonrechter in de rechtbank Almelo,
verder te noemen de kantonrechter.
1. Het procesverloop
1.1. Bij deze rechtbank is onder zaaknummer 400421 CV EXPL 12-1053 een (kanton)procedure aanhangig tussen [verzoeker] en [X] (hierna:
[X]).
1.2. [Verzoeker] heeft [X] op 15 februari 2012 in verband met een achterstallige loonbetaling gedagvaard. [X] heeft, nadat hem tweemaal uitstel is verleend, op
1 mei 2012 bij conclusie geantwoord en heeft daarbij een eis in reconventie ingediend. [X] stelt dat [verzoeker] een aantal zaken, welke hem in verband met het arbeidscontract ter beschikking waren gesteld, niet heeft teruggegeven. In reconventie vordert [X] dat [verzoeker] deze zaken teruggeeft, althans de waarde daarvan vergoedt. [Verzoeker] heeft uitdrukkelijk betwist dat hij ooit zaken van [X] heeft ontvangen.
1.3. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 13 november 2012 de loonvordering van [verzoeker] (grotendeels) toegewezen. Ook heeft hij in dit tussenvonnis [X] in de gelegenheid gesteld te bewijzen dat hij een aantal zaken aan [verzoeker] ter beschikking heeft gesteld, dat [verzoeker] deze zaken niet heeft ingeleverd, alsmede de door hem gestelde waarde van die zaken.
1.4. Op 13 december 2012 is het schriftelijke verzoek van [verzoeker] tot wraking van de kantonrechter binnengekomen. Op 17 december 2012 heeft [verzoeker] dit wrakingsverzoek nader gemotiveerd. De kantonrechter heeft hierop schriftelijk gereageerd en laten weten niet in de wraking te berusten en aangegeven geen gebruik te willen maken van de gelegenheid om te worden gehoord.
1.5. Het wrakingsverzoek is behandeld op de openbare zitting van de wrakingskamer van 20 december 2012. Op deze zitting is het wrakingsverzoek mondeling toegelicht en aangevuld door [verzoeker].
2. Het wrakingsverzoek
2.1. [Verzoeker] heeft aan zijn wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat de kantonrechter [X] onterecht in de gelegenheid heeft gesteld om te bewijzen dat hij [verzoeker] zaken ter beschikking heeft gesteld. [Verzoeker] betwist dat hij deze zaken heeft ontvangen van [X] en voert aan dat indien dit wel zo zou zijn geweest, [X] dat al in januari 2012 had moeten aanvoeren en niet vijf maanden later. De kantonrechter had daarnaast binnen twee maanden op de vordering van [verzoeker] moeten beslissen. [Verzoeker] voert daarvoor aan dat hij in het verleden een soortgelijke procedure heeft gevoerd, waarin hij binnen twee maanden zijn geld had. Doordat de procedure nu zo lang duurt, stelt [verzoeker] dat hij onnodig hoge advocatenkosten heeft moeten maken.
2.2. De kantonrechter heeft in zijn schriftelijke reactie laten weten dat hetgeen door [verzoeker] is aangevoerd geen grond oplevert voor wraking zoals bedoeld in artikel 37 Rv Pro. De kantonrechter voert aan dat hij wat betreft de procedure de regels uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en het landelijk rolreglement heeft gevolgd. De wraking dient naar de mening van de kantonrechter dan ook te worden afgewezen.
3. De beoordeling
3.1. Bij de beoordeling van het wrakingsverzoek stelt de wrakingskamer voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken partij dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend. De vrees voor partijdigheid moet, op grond van feiten en omstandigheden, objectief gerechtvaardigd zijn. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.
3.2. De kantonrechter heeft in de procedure tussen [verzoeker] en [X] een aantal processuele beslissingen genomen waar, zoals de wrakingskamer begrijpt, [verzoeker] het niet mee eens is. Processuele beslissingen kunnen echter niet inhoudelijk door de wrakingskamer worden getoetst. De wrakingskamer kan alleen onderzoeken of deze beslissingen of de motivering daarvan, zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de kantonrechter jegens [verzoeker] een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij [verzoeker] dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
3.3. Allereerst heeft de kantonrechter aan [X] tweemaal uitstel verleend voor het indienen van een conclusie van antwoord. Indien een partij wordt gedagvaard, heeft deze op grond van de wet het recht om op de dagvaarding te reageren. Als het door omstandigheden niet lukt om op tijd te reageren, kan de partij uitstel vragen bij de (kanton)rechter. Het is de taak van de kantonrechter om mede aan de hand van het bepaalde in het landelijk procesreglement op een dergelijk verzoek een beslissing te nemen. Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] destijds tegen het door [X] verzochte uitstel bezwaar heeft gemaakt en evenmin dat de kantonrechter bij deze beslissingen vooringenomen was.
3.4. [X] heeft bij conclusie van antwoord een tegenvordering (vordering in reconventie) ingediend, inhoudende dat hij de waarde van de zaken die hij aan [verzoeker] heeft verstrekt en niet heeft teruggekregen, vergoed wil krijgen. Op grond van de wet is het de taak van de kantonrechter om die tegenvordering te behandelen en daarop een beslissing te nemen. Omdat de standpunten van [verzoeker] en [X] ten aanzien van de tegenvordering lijnrecht tegenover elkaar staan en [X] nadrukkelijk heeft aangeboden zijn stellingen te bewijzen, heeft de kantonrechter [X] opgedragen om te bewijzen dat hij de zaken aan [verzoeker] heeft verstrekt, dat [verzoeker] deze zaken niet heeft ingeleverd alsmede de door hem gestelde waarde van die zaken. Ook ten aanzien van deze beslissing heeft [verzoeker] niets aangevoerd waaruit (de objectief gerechtvaardigde vrees) kan worden afgeleid de kantonrechter bij deze beslissing vooringenomen was.
3.5. Vorenstaande leidt dan ook tot de conclusie dat niet is gebleken dat de kantonrechter bij deze beslissingen op enige wijze vooringenomen was, althans dat bij [verzoeker] de vrees dat de kantonrechter vooringenomen was objectief gerechtvaardigd is. Dat door de beslissingen de procedure tussen [verzoeker] en [X] langer duurt dan twee maanden (waardoor de advocatenkosten ook hoger zijn), kan daar niet aan afdoen. Dat is het gevolg van de noodzaak om het beginsel van hoor en wederhoor toe te passen. Het wrakingsverzoek zal dan ook worden afgewezen.
4. De beslissing
De wrakingskamer:
I. wijst het verzoek tot wraking van de kantonrechter af;
Deze beschikking is gegeven door mr. U. van Houten, voorzitter,
mr. M.M. Lorist en mr. C. Verdoold, rechters, en in het openbaar uitgesproken op
21 december 2012 in tegenwoordigheid van mr. C. van de Lustgraaf, griffier.
Mr. Lorist is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.