Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBAMS:1994:1

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
23 december 1994
Publicatiedatum
14 juni 2023
Zaaknummer
13/017014-94
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • F.C. Lauwaars
  • E. Steffan-Bakker
  • J.M.J. Lommen-Van Alphen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 227 SrArt. 152 SvArt. 416 SrArt. 417bis Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs valsheid in authentieke akte

De rechtbank Amsterdam behandelde op 23 december 1994 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het doen van een valse opgave in een authentieke akte met het oogmerk deze te gebruiken als ware de opgave waarheidsgetrouw (art. 227 Sr Pro).

De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie wegens vermeende schendingen in het onderzoek en onrechtmatig handelen van de officier van justitie. De rechtbank oordeelde dat de vermeende schendingen, waaronder onjuiste rechtshulpverzoeken en telefonische contacten onder beperkingen, niet zodanig waren dat zij tot niet-ontvankelijkheid leidden.

De rechtbank beoordeelde het bewijs en concludeerde dat het telastegelegde niet wettig en overtuigend was bewezen. De verklaringen waarop het bewijs steunde, konden niet worden gebruikt wegens de omstandigheden, maar dit leidde niet tot bewijs van schuld.

Op grond van deze overwegingen sprak de rechtbank verdachte vrij van de tenlastelegging. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van valsheid in een authentieke akte.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM.
Parketnummer: 13.017.014.94
datum uitspraak: 23 december 1994
op tegenspraak
VONNIS
van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam,negende meervoudige kamer A, in de strafzaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954, wonende te [adres] .
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onder­ zoek op de terechtzitting van 9 december 1994.

1.Telastelegging.

Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht.
De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd.

2.Voorvragen.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie op de - zakelijk weergegeven - navolgende gronden.
De cumulatie van ernstige strafbare feiten nu:
a) het onderzoek in de Coral Sea-zaak gebaseerd is op vals opgemaakte processen-verbaal, terwijl er enig verband bestaat tussen voornoemde zaak en onderhavige zaak;
b) de officier van justitie te Breda opzettelijk onjuiste juridische informatie in de rechtshulpverzoeken, aan respec­ tievelijk Luxemburg, naar de rechtbank begrijpt op 7 februari 1991, en Zwitserland op 13 februari 1991, heeft opge­nomen. Immers, deze rechtshulpverzoeken vermelden dat "money­ laundering" in Nederland strafbaar is, terwijl voor de wetswijziging van 1 februari 1992 giraal geld niet onder de de­ lictsomschrijving van de helingsbepaling viel. Niet aanneme­lijk is dat de officier van justitie daarvan niet op de hoogte was.
De verdachte [naam 1] heeft met toestemming van de officier van justitie, mr Teeven, telefonisch contact gehad met mr [raadsman] , raadsman van de verdachte [naam 2] , terwijl ten aanzien van [naam 1] ten tijde van dit contact een bevel beperkingen, gegeven door de rechter-commissaris, van kracht was. Nu niet is gebleken dat de rechter-commissaris toestemming heeft gegeven voor dit contact, is er sprake van een ernstige schen­ding van het bevel beperkingen.
Van de telefonische contacten van [naam 1] met mr [raadsman] op 11 en 12 maart 1994 is eerst op 21 september 1994 - nadat de verdediging aan de rechter-commissaris had verzocht [getuige] als getuige te horen - door deze opsporingsambtenaar proces-verbaal opgemaakt. Mitsdien heeft schending van artikel 152 van Pro het Wetboek van Strafvordering plaatsgevonden. Aan deze schen­ding heeft ook de officier van justitie welbewust meegewerkt. Het openbaar ministerie heeft willens en wetens gepoogd be­langrijke informatie aan, in ieder geval, de verdediging te onthouden, en bewust zijn de telefonische contacten van [naam 1] met mr [raadsman] verzwegen met het doel de rechterlijke toetsing daarvan te frustreren.
Naast schending van artikel 152 van Pro het Wetboek van Strafvor­dering is er sprake van schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het beginsel van de redelijke en billijke belangenafweging.
De officier van justitie, mr Teeven - heeft voor de terechtzitting contact gehad met de rechter-commissaris, mr. [naam 3] , terwijl hij wist dat
dezeter terechtzitting als getuige zou worden gehoord.
De rechtbank heeft hieromtrent het navolgende overwogen. ad I.
a) De onderhavige zaak staat in een dusdanig ver verwijderd verband met de Coral Sea-zaak en het daarin gedane onderzoek, dat niet valt in te zien dat enig onrechtmatig handelen in het kader van dat onderzoek de niet ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de onderhavige
zaaktot gevolg zou moeten hebben.
b) Anders dan de verdediging stelt, blijkt uit de wetsgeschie­denis (Memorie van Toelichting, Bijl. Handelingen II 1989- 1990, 21.565) dat de vervanging van het woord "voorwerp" in de artikelen 416-417bis van het Wetboek van Strafrecht door het woord "goed", volgens de wetgever niet een breuk met het verleden inhield, doch slechts was bedoeld als een terminolo­gische aanpassing aan de andere vermogensdelicten. Daarmee is aan de stelling, dat de bewoordingen van de bedoelde rogatoire commissies opzettelijk misleidend zouden zijn, de grond komen te ontvallen.
Er is dan ook geen sprake van cumulatie van strafbare feiten.
ad II.
De betreffende beperkingen zijn aan verdachte [naam 1] opgelegd door de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie in het belang van de voortgang van het gerechtelijk vooronderzoek, met name om te voorkomen dat [naam 1] met medever­dachten of getuigen zou kunnen samenspannen teneinde de door hen af te leggen verklaringen zodanig af te stemmen op de door hem afgelegde verklaring dat daarmee het onderzoek naar de feiten waarvan hij beschuldigd werd zou worden belemmerd. De rechter-commissaris dient voor het doorbreken van dergelijke beperkingen toestemming te verlenen.
Het telefoneren gebeurde in casu echter niet ongecontroleerd, maar met toestemming en deels onder toezicht van de officier van justitie, met als doel het opsporingsonderzoek te bevorde­ren. Bovendien is niet gebleken dat door dit telefonisch contact het onderzoek -zoals politie, justitie en de rechtercommissaris dit voor ogen hadden- is belemmerd.
Het ontbreken van toestemming van de rechter-commissaris leidt dan ook - hoewel dit als onjuist moet worden gekwalificeerd - niet tot de conclusie dat enig beginsel van behoorlijke pro­cesorde is geschonden, zodat het beroep op niet-ontvankelijk­heid van de officier van justitie wordt verworpen.
ad III.
Evenmin leidt tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie het feit dat in strijd met het bepaalde in artikel 152 van Pro het Wetboek van Strafvordering pas op 21 september 1994 -nadat de verdediging de rechter-commissaris had verzocht [getuige] als getuige te horen- door [getuige] een proces-verbaal is opgemaakt omtrent de gevoerde telefoongesprekken.
Aangezien dit opmaken uiteindelijk wel ruim voor de terecht­ zitting heeft plaatsgevonden en de verdediging de gelegenheid heeft gehad daaromtrent getuigen te horen, is [verdachte] hierdoor niet onherstelbaar in zijn verdediging geschaad, terwijl niet aannemelijk is geworden dat het openbaar ministe­rie het opmaken van een proces-verbaal bewust achterwege heeft gelaten met het doel rechterlijke toetsing daaromtrent te vermijden.
ad IV.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verklaard dat hij contact heeft gehad met de rechter-commissaris, mr. [naam 3] , terwijl hij wist dat de rechter-commissaris ter te­rechtzitting als getuige zou worden gehoord.
Niet is gebleken dat dit contact gericht is geweest op de beïnvloeding van de getuige noch is gebleken dat mr. [naam 3] door dit contact niet langer in vrijheid een verklaring heeft kunnen afleggen.
Het handelen van de officier van justitie is niet zodanig geweest dat dit de niet-ontvankelijkverklaring van het open­ baar ministerie tot gevolg dient te hebben.

3.Waardering van het bewijs.

3.1.
Het subsidiair door de raadsman gevoerde verweer dat de verklaringen van [naam 2] en [naam 1] , afgelegd na het door [naam 1] op 11 maart 1994 met mr. [raadsman] gevoerde telefoongesprek, niet mogen worden gebezigd voor bewijs strandt reeds daarop, dat het niet aannemelijk is dat bedoelde verklaringen zijn verkre­gen door bovenvermeld onjuist handelen.
3.2.
De rechtbank acht het telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

4.Beslissing:

Verklaart het telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr F.C. Lauwaars,
mrs E. Steffan-Bakker en J.M.J. Lommen-Van Alphen, in tegenwoordigheid van mr S. van Eunen en
voorzitter, rechters,
C. Rinzema, griffiers, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze recht­bank van 23 december 1994.
De griffiers zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.