ECLI:NL:RBAMS:1998:AA4088
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.J. van Schaardenburg - Louwe Kooijmans
- E. Pennink
- A. Wolfsen
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs handel met voorwetenschap in aandelen BolsWessanen
De rechtbank Amsterdam behandelde de strafzaak tegen verdachte wegens vermeende handel met voorwetenschap in effecten van Koninklijke BolsWessanen N.V. (BSW) in de periode 1994-1995. Het openbaar ministerie betoogde dat verdachte voorafgaand aan koersgevoelige persberichten putopties BSW had gekocht met voorkennis, wat verboden is op grond van artikel 31a van de Wet toezicht effectenverkeer (WTE).
Het onderzoek richtte zich op transacties vlak voor vier koersgevoelige persberichten in januari 1994, augustus 1994, maart 1995 en juli 1995. De rechtbank overwoog dat geen rechtstreeks bewijs bestond dat verdachte voorkennis had en dat de verklaringen van verdachte en getuigen geen concrete aanwijzingen van schending van geheimhouding opleverden. Ook de motieven van verdachte voor de transacties, zoals adviezen en marktinformatie, werden niet weerlegd door het openbaar ministerie.
De rechtbank verwierp de stelling van het openbaar ministerie dat sprake zou zijn van een omkering van de bewijslast bij overtreding van artikel 31a WTE. Na zorgvuldige waardering van het bewijsmateriaal concludeerde de rechtbank dat onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden waren vastgesteld om buiten redelijke twijfel te kunnen spreken van handelen met voorwetenschap.
Daarom verklaarde de rechtbank het ten laste gelegde niet bewezen en sprak verdachte vrij. Dit arrest onderstreept het belang van een strikte bewijsvoering bij handel met voorwetenschap en bevestigt de toepassing van het legaliteitsbeginsel in strafzaken omtrent effectenhandel.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van handel met voorwetenschap.