ECLI:NL:RBAMS:1999:AA3717
Rechtbank Amsterdam
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij beëindiging bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf
Verzoekers, beiden van Marokkaanse nationaliteit en zonder geldige verblijfsvergunning, ontvingen een bijstandsuitkering die door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam werd beëindigd op grond van de Koppelingswet, die bijstand koppelt aan rechtmatig verblijf.
Verzoekers voerden aan dat zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 1b van de Vreemdelingenwet en dat de beëindiging van de uitkering in strijd is met het discriminatieverbod van artikel 26 IVBPR Pro. De rechtbank erkent dat er sprake is van direct onderscheid naar nationaliteit, maar acht dit onderscheid gerechtvaardigd vanwege het belang van een effectief toelatingsbeleid.
De rechtbank oordeelt dat verzoekster, die in afwachting is van een onherroepelijke beslissing op haar verblijfsaanvraag, disproportioneel wordt getroffen door de Koppelingswet, maar dat dit geen grond is voor toewijzing van de voorlopige voorziening omdat de beroepsprocedure reeds is afgerond en het recht op bijstand definitief is beëindigd.
De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening af en ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling of griffierechtvergoeding. De zaak wordt verwezen naar een meervoudige kamer voor verdere behandeling van de juridische vraagstukken rondom de Koppelingswet en de Algemene bijstandswet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de bijstandsuitkering wegens niet-rechtmatig verblijf wordt afgewezen.