ECLI:NL:RBAMS:1999:AF0016

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 september 1999
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
98/349 F
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R.L. de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling en opheffing faillissement wegens ontbreken nieuwe omstandigheden

Verzoeker heeft op 16 augustus 1999 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling met gelijktijdige opheffing van zijn faillissement. Dit verzoek is behandeld op 27 september 1999, waarbij verzoeker en de curator werden gehoord.

De rechtbank houdt rekening met een eerder vonnis van 15 april 1999 en een arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 4 mei 1999, waarin een soortgelijk verzoek was afgewezen. Verzoeker stelde dat sindsdien nieuwe feiten en omstandigheden zijn ontstaan, waaronder het in loondienst treden bij een vennootschap en het verrichten van werkzaamheden met een inkomen van circa 1.500 gulden per maand.

De curator betwistte deze feiten en bracht naar voren dat verzoeker freelance werkzaamheden verrichtte zonder de curator hiervan op de hoogte te stellen en inkomsten verzweeg. De rechtbank oordeelde dat niet is gebleken van een wijziging van omstandigheden die toepassing van de schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. Tevens is er gegronde vrees dat verzoeker tijdens de regeling zijn schuldeisers zal benadelen.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en opheffing van het faillissement af.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en opheffing van het faillissement is afgewezen wegens ontbreken van nieuwe omstandigheden.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam,
Tweede enkelvoudige kamer
X. , wonende te P.
verzoeker,
heeft op 16 augustus 1999 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling met gelijktijdige opheffing van zijn faillissement.
Het verzoekschrift is behandeld ter terechtzitting van 27 september 1999, alwaar verzoeker en mr. H.F.K. Schulz, namens de curator, mr. J.K. Brandse zijn gehoord.
--------------------------------------------------------------------------------
De rechtbank houdt rekening met het vonnis van deze rechtbank en kamer van 15 april 1999, bij welk vonnis een soortgelijk verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is afgewezen, alsmede het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 4 mei 1999, waarbij voormeld vonnis is bekrachtigd.
Aan zijn nieuwe verzoek legt verzoeker ten grondslag dat sedert voormeld vonnis zich feiten en omstandigheden hebben voorgedaan, waardoor hij thans wel in aanmerking komt voor toepassing van de schuldsaneringsregeling. Hij stelt hiertoe dat hij in loondienst is getreden bij een vennootschap, in het kader waarvan hij 1,5 á 2 dagen per week werkzaamheden verricht voor een inkomen van plus minus f. 1.500,= per maand. ook stelt verzoeker bereikbaar geworden te zijn voor de curator.
Mr. Schulz heeft daarentegen ter zitting verklaard dat verzoeker de afgelopen periode op freelance-basis werkzaamheden heeft verricht zonder de curator danwel diens plaatsvervanger hieromtrent in te lichten. Ook zou verzoeker, volgens inlichtingen van mr. Schulz, via de vennootsschap van (onder meer) zijn ex-vrouw, de door hem verrichte werkzaamheden declaren, Hieromtrent heeft mr. Schulz produkties overgelegd aan de rechtbank).
Verzoeker heeft de door mr. Schulz naar voren gebrachte feiten, zoals hierboven weergegeven, betwist en volgehouden dat hij deze werkzaamheden kosteloos verricht om voeling te houden met de praktijk van het onderwijsgeven en dat hij op voorstel van verschillende opleidingsinstituten projecten realiseert zonder hiervoor een tegemoetkoming te krijgen.
Voorts heeft mr. Schulz verklaard dat verzoeker inmiddels door een rechercheur van de Economische Controle Dienst is gehoord en dat deze dienst de Officier van Justitie te Haarlem heeft geadviseerd verzoeker strafrechtelijk te vervolgen op verdenking van bedriegelijke bankbreuk.
Op grond van hetgeen mr. Schulz voornoemd, als door verzoeker onvoldoende weersproken naar voren heeft gebracht en in weerwil van hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is gebleken van een wijziging van omstandigheden die thans tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zou behoren te leiden danwel van nieuwe feiten en omstandigheden die maken dat, indien deze feiten of omstandigheden ten tijde van voormeld vonnis van de rechtbank bekend waren geweest, deze tot een ander oordeel zouden hebben geleid.
In dit verband acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat verzoeker tijdens zijn faillissement het genieten van inkomsten heeft verzwegen, op grond waarvan er gegronde vrees bestaat dat verzoeker ook tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling niet zal nalaten zijn schuldeisers te benadelen of zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen.
Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling met gelijktijdige opheffing van zijn faillissement dient derhalve te worden afgewezen.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst het verzoek af;
Gewezen door mr. R.L. de Vries, lid van genoemde kamer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.