ECLI:NL:RBAMS:2000:AA4928
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.H. Marcus
- J.J. Bade
- F.P.M. Eberhard
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens niet wettig en overtuigend bewezenverklaring van tenlastelegging
De rechtbank Amsterdam behandelde de strafzaak tegen verdachte waarbij meerdere feiten waren gesplitst in twee dossiers. De tenlastelegging onder 3 werd afzonderlijk beoordeeld. De raadsman van verdachte voerde aan dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moest worden verklaard vanwege een overeenkomst tussen verdachte en de officier van justitie waarin werd afgesproken dat verdachte niet vervolgd zou worden voor een specifiek feit.
De rechtbank oordeelde dat hoewel een dergelijke overeenkomst bestond, deze ook een verplichting van verdachte inhield om zich niet tegen uitlevering te verzetten. Uit de stukken bleek dat verdachte zich herhaaldelijk tegen verkorte uitlevering had verzet, waardoor hij zijn deel van de overeenkomst niet was nagekomen. Hierdoor was de officier van justitie niet langer gebonden aan de toezegging.
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit concludeerde de rechtbank dat dit niet wettig en overtuigend was bewezen. Op basis hiervan sprak de rechtbank verdachte vrij van dit feit. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 7 februari 2000.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit wegens onvoldoende bewijs.