ECLI:NL:RBAMS:2000:AA5628

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
25 april 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13/120074-98
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 255 SvArt. 21 SvArt. 328ter Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlening termijn voor betekening dagvaarding wegens omkoping en deelname criminele organisatie

Op 25 april 2000 heeft de rechtbank Amsterdam een beschikking gegeven op de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de termijn voor het betekenen van de dagvaarding aan verdachte. De verdachte wordt beschuldigd van omkoping van anderen dan ambtenaren en van deelname aan een criminele organisatie, waarbij hij een medeoprichter en/of leidinggevende rol vervulde.

Tijdens de openbare terechtzitting van 17 april 2000 werd de vordering van de officier van justitie behandeld, waarbij ook de verdachte en zijn raadsman werden gehoord. De rechtbank constateerde dat de officier van justitie had verzuimd om binnen de door de raadkamer gestelde termijn de dagvaarding te betekenen.

Gezien het algemeen belang en het ontbreken van een verlengingsverzoek door de officier van justitie, besloot de rechtbank een kortere dan gebruikelijke nieuwe termijn van zes weken vast te stellen waarbinnen de dagvaarding moet worden betekend of moet worden overgegaan tot kennisgeving van niet verdere vervolging.

Uitkomst: De rechtbank stelt een nieuwe termijn van zes weken voor het betekenen van de dagvaarding of kennisgeving van niet verdere vervolging.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE AMSTERDAM
13/120074-98
Datum beschikking: 25 april 2000
op de vordering zoals bedoeld in artikel 255 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) van de officier van justitie in de zaak tegen verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
volgens zijn opgave ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres] en aldaar feitelijk verblijvende.
Inhoud van de vordering
De officier van justitie heeft ter openbare terechtzitting van 17 april 2000 gevorderd dat de rechtbank een nieuwe termijn stelt voor het betekenen van de dagvaarding aan verdachte.
Procesgang
De rechtbank heeft op diezelfde zitting de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman gehoord.
Beoordeling
1.
Ten aanzien van de wijze waarop een vordering als bedoeld in de tweede volzin van artikel 255, vierde lid Sv wordt ingediend geldt geen vormvereiste. De vordering van de officier van justitie kon derhalve, mede gelet op artikel 21 Sv Pro, mondeling ter zitting worden ingediend.
De officier van justitie kan derhalve in zijn vordering worden ontvangen.
2.
Uit de inhoud van het dossier en het onderzoek ter zitting blijkt dat de officier van justitie heeft verzuimd verdachte te dagvaarden binnen de door de raadkamer van deze rechtbank bij beschikking van 23 december 1999 gestelde termijn.
Voorts is gebleken dat verdachte wordt beschuldigd van -kort gezegd- omkoping van anderen dan ambtenaren, strafbaar gesteld in artikel 328ter van het Wetboek van Strafrecht (feit 1) en het deelnemen aan een criminele organisatie, terwijl hij van die organisatie medeoprichter was en/of daarin een leidinggevende rol vervulde (feit 2).
De rechtbank wijst op grond van deze beschuldiging de vordering van de officier van justitie toe, omdat het algemeen belang dit dringend eist.
De rechtbank stelt derhalve een nieuwe termijn als bedoeld in artikel 255, vierde lid Sv.
Zij acht echter, gelet op de beschikking van de raadkamer van deze rechtbank d.d. 23 december 1999 en de omstandigheid dat de officier van justitie geen verlenging van de in die beschikking gestelde termijn heeft gevraagd, geïndiceerd een kortere termijn dan gebruikelijk te stellen.
Beslissing
De rechtbank stelt een nieuwe termijn van zes weken waarbinnen de officier van justitie tot dagvaarding hetzij tot kennisgeving van niet verdere vervolging dient over te gaan.
Deze beslissing is gegeven door:
mr M.J.L. Mastboom, voorzitter,
mrs P.H.M. Kuster en J.L. Bruinsma, rechters,
in tegenwoordigheid van mr R. van der Weijden, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 april 2000.