ECLI:NL:RBAMS:2001:AB2308
Rechtbank Amsterdam
- Herziening
- J.A.J. Peeters
- Rechtspraak.nl
Vordering opzegvergoeding en salaris na intrekking surséance van betaling
Eiser trad op 1 mei 2000 in dienst bij LBI als algemeen directeur Latijns-Amerika voor drie jaar. LBI kreeg op 29 december 2000 voorlopige surséance van betaling. Op 19 januari 2001 zegde LBI met toestemming bewindvoerders de arbeidsovereenkomst op wegens gewijzigde plannen. De surséance werd op 21 februari 2001 ingetrokken. LBI betaalde het salaris over februari 2001 niet.
Eiser vordert betaling van het resterende salaris over de contractduur en de onbetaalde maand februari, plus incassokosten. LBI stelt dat de surséance een geldige reden (just cause) was voor opzegging en beroept zich subsidiar op het Van Gelder Papier arrest dat schadeloosstelling bij faillissement beperkt.
De rechtbank oordeelt dat op de arbeidsovereenkomst Argentijns recht van toepassing is, maar de gevolgen van de Nederlandse surséance beoordeeld moeten worden naar Nederlands recht. De opzegging is geldig onder artikel 239 Faillissementswet Pro, ook na intrekking surséance. Het Van Gelder Papier arrest is niet onverkort toepasbaar op surséance vanwege verschillen met faillissement.
De arbeidsovereenkomst bood eiser zekerheid voor drie jaar salaris tenzij beëindiging aan hem toe te rekenen was, wat niet is gesteld. De vordering tot betaling van resterend salaris en vergoeding wordt voorlopig toegewezen. LBI wordt veroordeeld tot betaling van salaris februari, vergoeding en incassokosten, met wettelijke rente en proceskosten.
Uitkomst: LBI wordt veroordeeld tot betaling van salaris, vergoeding en incassokosten aan eiser, ondanks intrekking van de surséance van betaling.