ECLI:NL:RBAMS:2001:AD5051
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- T. van Peijpe
- R.B. Kleiss
- A. van Sonsbeeck
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering bij voorlopige hechtenis niet in strijd met artikel 14 EVRM
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder om zijn WAO-uitkering per 1 juni 2000 te beëindigen vanwege zijn voorlopige hechtenis. De Wet Socialezekerheidsrechten Gedetineerden (WSG) bepaalt dat uitkeringen worden ingetrokken indien de rechthebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen.
Eiser stelde dat dit onderscheid onrechtvaardig is, omdat personen in voorlopige hechtenis anders behandeld worden dan personen die gedwongen zijn opgenomen op grond van de Wet Bopz of artikel 37 WvSr Pro. Tevens voerde hij aan dat het onterecht is om iemand die slechts verdacht wordt van een strafbaar feit gelijk te stellen met een veroordeelde.
De rechtbank overwoog dat het verblijf in een huis van bewaring in het kader van voorlopige hechtenis en gedwongen opname op grond van genoemde bepalingen geen gelijke gevallen zijn. De wetgever heeft deze situatie expliciet overwogen en geen uitzondering gemaakt voor voorlopige hechtenis, mede omdat de periode van voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op een latere gevangenisstraf of schadevergoeding kan worden gevorderd.
Ook het beroep op algemene rechtsbeginselen werd verworpen, omdat toetsing van wetgeving in formele zin aan deze beginselen in principe niet mogelijk is volgens het Harmonisatiewetarrest. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de beëindiging van de WAO-uitkering per 1 juni 2000.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn WAO-uitkering wegens voorlopige hechtenis wordt ongegrond verklaard.