ECLI:NL:RBAMS:2001:AD5051

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
22 oktober 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/4813 WAO
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • T. van Peijpe
  • R.B. Kleiss
  • A. van Sonsbeeck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 EVRMArt. 120 GrondwetArt. 1 WAOArt. 43 WAOArt. 37 WvSr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging WAO-uitkering bij voorlopige hechtenis niet in strijd met artikel 14 EVRM

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder om zijn WAO-uitkering per 1 juni 2000 te beëindigen vanwege zijn voorlopige hechtenis. De Wet Socialezekerheidsrechten Gedetineerden (WSG) bepaalt dat uitkeringen worden ingetrokken indien de rechthebbende rechtens zijn vrijheid is ontnomen.

Eiser stelde dat dit onderscheid onrechtvaardig is, omdat personen in voorlopige hechtenis anders behandeld worden dan personen die gedwongen zijn opgenomen op grond van de Wet Bopz of artikel 37 WvSr Pro. Tevens voerde hij aan dat het onterecht is om iemand die slechts verdacht wordt van een strafbaar feit gelijk te stellen met een veroordeelde.

De rechtbank overwoog dat het verblijf in een huis van bewaring in het kader van voorlopige hechtenis en gedwongen opname op grond van genoemde bepalingen geen gelijke gevallen zijn. De wetgever heeft deze situatie expliciet overwogen en geen uitzondering gemaakt voor voorlopige hechtenis, mede omdat de periode van voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op een latere gevangenisstraf of schadevergoeding kan worden gevorderd.

Ook het beroep op algemene rechtsbeginselen werd verworpen, omdat toetsing van wetgeving in formele zin aan deze beginselen in principe niet mogelijk is volgens het Harmonisatiewetarrest. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de beëindiging van de WAO-uitkering per 1 juni 2000.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de beëindiging van zijn WAO-uitkering wegens voorlopige hechtenis wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te Amsterdam
Sector Bestuursrecht
meervoudige kamer
UITSPRAAK
in het geding met reg.nr. AWB 00/4813 WAO
van:
A, verblijvende te B,
eiser,
tegen:
het Landelijk instituut sociale verzekeringen, gevestigd te Amsterdam,
verweerder,
vertegenwoordigd door R. de Nijs.
1. PROCESVERLOOP
De rechtbank heeft op 25 oktober 2000 een beroepschrift ontvangen gericht tegen het besluit van 20 september 2000, namens verweerder genomen door Gak Nederland bv.
Het onderzoek is gesloten ter zitting van 13 september 2001.
2. OVERWEGINGEN
In dit geding dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of verweerder op goede gronden heeft beslist eisers uitkering ingevolge de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 juni 2000 te beëindigen.
Op 1 mei 2000 is de Wet Socialezekerheidsrechten Gedetineerden (WSG) in werking getreden. Deze wet heeft in een aantal socialezekerheidswetten bepalingen geïntroduceerd die ertoe strekken te voorkomen dat degene die rechtens zijn vrijheid is ontnomen aanspraak kan maken op een uitkering.
Voor het onderhavige geding zijn van belang de door de WSG in de WAO geïntroduceerde bepalingen neergelegd in de artikelen 1, eerste lid, onder k, en 43, vijfde lid, en de in artikel XV van de WSG neergelegde overgangsbepaling.
Artikel 43, vijfde lid, van de WAO bepaalt dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken indien degene die recht heeft op die uitkering rechtens zijn vrijheid is ontnomen, vanaf de dag waarop deze vrijheidsontneming een maand heeft geduurd. Op grond van artikel XV van de WSG dient ten aanzien van degene wiens vrijheid op de dag voorafgaande aan de inwerkingtreding van de WSG reeds rechtens was ontnomen als eerste dag van vrijheidsontneming te worden aangemerkt de dag van inwerkingtreding van de WSG.
Artikel 1, eerste lid, onder k, van de WAO bepaalt dat onder rechtens zijn vrijheid ontnomen dient te worden verstaan: rechtens zijn vrijheid ontnomen, behoudens de gevallen bedoeld in de Wet bijzondere opneming in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz) en in artikel 37, eerste lid, van het WvSr.
Eiser verbleef ten tijde hier van belang in voorlopige hechtenis in het huis van bewaring te B. Verweerder heeft zijn uitkering in verband hiermee, onder toepassing van genoemde bepalingen, per 1 juni 2000 beëindigd.
Eiser betwist niet dat uit genoemde bepalingen voortvloeit dat zijn uitkering per 1 juni 2000 dient te worden beëindigd. Eiser meent evenwel, zo begrijpt de rechtbank, dat deze bepalingen buiten toepassing dienen te worden gelaten wegens strijd met artikel 14 van Pro het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiser meent dat sprake is van een ongerechtvaardigd onderscheid tussen personen die op grond van de Wet Bopz of op grond van artikel 37, eerste lid van het WvSr gedwongen zijn opgenomen en personen zoals hij, wier vrijheid op een andere grond is ontnomen. Eiser acht het voorts niet terecht dat iemand zoals hij, die slechts verdacht wordt van het plegen van een strafbaar feit, op dezelfde wijze wordt behandeld als iemand die is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit.
Voorts heeft eiser aangevoerd dat gedurende detentie slechts gedeeltelijk in de kosten van zijn bestaan is voorzien.
De rechtbank overweegt het volgende.
Voor de beantwoording van de vraag of het door de wetgever gemaakte onderscheid in behandeling tussen de verschillende vormen van vrijheidsbeneming in overeenstemming is met artikel 14 van Pro het EVRM, dient allereerst te worden bezien of sprake is van gelijke gevallen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit niet het geval. De enige overeenkomst tussen een verblijf in een huis van bewaring in het kader van een voorarrest en gedwongen plaatsing op grond van artikel 37, eerste lid, van het WvSr of de Wet Bopz is dat de betrokkene niet vrij is te gaan en staan waar hij wil. Van enige verdere overeenkomst, met name voor wat betreft de grondslag waarop de vrijheidsbeneming berust of voor wat betreft het toepasselijke regime, is geen sprake. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank onvoldoende basis aanwezig om te kunnen spreken van gelijke gevallen. Nu geen sprake is van gelijke gevallen kan reeds daarom geen sprake zijn van schending artikel 14 van Pro het EVRM
Voor zover eiser heeft bedoeld te betogen dat op grond van enigerlei algemeen rechtsbeginsel een uitzondering dient te worden gemaakt voor personen die in voorlopige hechtenis verblijven kan de rechtbank eiser hierin niet volgen. Het gaat in het onderhavige geding om de toepassing van wetgeving in formele zin. Ten aanzien van de toetsing van wetgeving in formele zin aan de algemene rechtsbeginselen volgt de rechtbank de benadering die door de Hoge Raad is gekozen in het Harmonisatiewetarrest van 14 april 1989, gepubliceerd in AB 1989, 207. Deze benadering houdt in dat Artikel 120 van Pro de Grondwet in principe in de weg staat aan de toetsing van een wet in formele zin aan de algemene rechtsbeginselen. Het is slechts mogelijk strikte wetstoepassing achterwege te laten wanneer sprake is van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden. Van niet door de wetgever verdisconteerde omstandigheden is in dit geval geen sprake. De wetgever heeft blijkens de Memorie van Toelichting (TK 1997-1998, 26 063, nr. 3, p. 14) uitdrukkelijk de vraag onder ogen gezien of het gegeven dat bij een voorlopige hechtenis (nog) niet is komen vast te staan dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit zou moeten leiden tot het maken van een uitzondering. De wetgever heeft die vraag ontkennend beantwoord. De wetgever heeft daartoe overwogen dat in de situatie waarin de betrokkene uiteindelijk veroordeeld wordt tot een gevangenisstraf de periode van voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf. In de situatie waarin de betrokkene niet wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf kan de betrokkene desgewenst schadevergoeding vorderen.
Hetgeen eiser heeft aangevoerd met betrekking tot zijn doorlopende kosten neemt niet weg dat gedurende detentie de minimaal noodzakelijke voorzieningen voor het bestaan zijn gegarandeerd.
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van eiser ongegrond dient te worden verklaard.
Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht aan eiser ziet de rechtbank geen aanleiding.
Beslist wordt als volgt.
3. BESLISSING
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
Gewezen door mr. T. van Peijpe, voorzitter, mr. R.B. Kleiss en mr. A. van Sonsbeeck, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. A.I. van der Kris, griffier,
en uitgesproken in het openbaar op:
door mr. T. van Peijpe, in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier, De voorzitter,
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep in Utrecht.
Afschrift verzonden op:
AK