ECLI:NL:RBAMS:2001:AD7985

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13/129130-97
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in meervoudige strafzaak

In deze strafzaak heeft de rechtbank Amsterdam het onderzoek verricht naar aanleiding van meerdere terechtzittingen verspreid over 2001. Verdachte werd meerdere feiten ten laste gelegd, waarvan een deel van de dagvaarding deels nietig werd verklaard. De verdediging voerde diverse verweren aan, waaronder de nietigheid van bepaalde tenlasteleggingen en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar deze werden niet inhoudelijk behandeld vanwege het ontbreken van belang na de bewijswaardering.

De rechtbank oordeelde dat de stukken van het voorbereidend onderzoek onvoldoende feiten en omstandigheden bevatten om een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte te rechtvaardigen, zoals vereist op grond van artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Ook het onderzoek ter terechtzitting bracht geen nieuwe feiten aan het licht die tot een andere conclusie konden leiden.

Daarom verklaarde de rechtbank de ten laste gelegde feiten niet bewezen en sprak verdachte vrij. Dit vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 21 december 2001, in aanwezigheid van de voorzitter en twee rechters.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Parketnummer: 13/129130-97
Datum uitspraak: 21 december 2001
op tegenspraak
VONNIS
van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:
verdachte,
geboren te Z. op 1 december 1959,
.
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17, 18, 19, 23 en 24 april 2001, 4 en 30 oktober 2001 en 3, 4, 6, 14 en 18 december 2001.
1. Telastelegging.
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd, met dien verstande dat de rechtbank ter terechtzitting van 18 april 2001 de dagvaarding ten aanzien van het onder 1, 3 en 4 telastegelegde partieel nietig heeft verklaard, namelijk waar steeds in subsidiaire zin is telastegelegd dat verdachte het desbetreffende goed "anders dan door misdrijf onder zich had".
2. Voorvragen.
De geldigheid van de dagvaarding.
De raadsman heeft betoogd dat het onder 2 en 5 ten laste gelegde nietig is. Gelet op de in deze zaak te nemen beslissing heeft verdachte geen belang meer bij dit verweer, zodat de rechtbank dit buiten bespreking laat.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
De raadsman heeft op verscheidene gronden betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn vervolging zou moeten worden verklaard. Gelet op de hierna te nemen beslissing heeft verdachte ook bij deze verweren geen belang meer, zodat de rechtbank deze onbesproken zal laten.
3. Waardering van het bewijs.
De rechtbank acht al hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken.
Met betrekking tot de feiten 1, 2, 3 primair en subsidiair en 4 geldt naar het oordeel van de rechtbank dat de stukken van het voorbereidend onderzoek reeds onvoldoende feiten en omstandigheden bevatten om jegens verdachte ter zake van deze hem ten laste gelegde feiten een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering te wettigen. Het onderzoek ter terechtzitting heeft niet tot een andere conclusie gevoerd.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
4. Beslissing:
Verklaart het onder 1, 2, 3 primair, 3 subsidiair, 4 en 5 telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans, voorzitter,
mrs. Th.H. Lind en A.V.T. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.B. de Vroom-Lenssen, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2001.