ECLI:NL:RBAMS:2001:AD7985
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans
- Th.H. Lind
- A.V.T. de Bie
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in meervoudige strafzaak
In deze strafzaak heeft de rechtbank Amsterdam het onderzoek verricht naar aanleiding van meerdere terechtzittingen verspreid over 2001. Verdachte werd meerdere feiten ten laste gelegd, waarvan een deel van de dagvaarding deels nietig werd verklaard. De verdediging voerde diverse verweren aan, waaronder de nietigheid van bepaalde tenlasteleggingen en de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, maar deze werden niet inhoudelijk behandeld vanwege het ontbreken van belang na de bewijswaardering.
De rechtbank oordeelde dat de stukken van het voorbereidend onderzoek onvoldoende feiten en omstandigheden bevatten om een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte te rechtvaardigen, zoals vereist op grond van artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering. Ook het onderzoek ter terechtzitting bracht geen nieuwe feiten aan het licht die tot een andere conclusie konden leiden.
Daarom verklaarde de rechtbank de ten laste gelegde feiten niet bewezen en sprak verdachte vrij. Dit vonnis werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam op 21 december 2001, in aanwezigheid van de voorzitter en twee rechters.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.