ECLI:NL:RBAMS:2001:AD8006

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
21 december 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
13/129131-97
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs in strafzaak tegen verdachte geboren 1959

In deze strafzaak heeft de rechtbank Amsterdam het onderzoek verricht naar aanleiding van meerdere terechtzittingen in 2001. Verdachte werd geconfronteerd met een dagvaarding waarin hem verschillende feiten ten laste werden gelegd. De rechtbank heeft de dagvaarding deels nietig verklaard waar het subsidiaire tenlastegelegde betrekking had op het bezit van goederen anders dan door misdrijf.

De verdediging voerde meerdere verweren aan tegen de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie en de geldigheid van de dagvaarding, maar deze zijn door de rechtbank niet inhoudelijk behandeld omdat verdachte geen belang meer had bij deze verweren. De kern van de zaak betrof de beoordeling van het bewijs.

De rechtbank oordeelde dat het bewijs niet wettig en overtuigend was en dat de stukken van het voorbereidend onderzoek onvoldoende feiten en omstandigheden bevatten om een redelijk vermoeden van schuld te rechtvaardigen. Ook het onderzoek ter terechtzitting bracht geen andere conclusie. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Uitspraak

Parketnummer: 13/129131-97
Datum uitspraak: 21 december 2001
op tegenspraak
VONNIS
van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, meervoudige kamer, in de strafzaak tegen:
verdachte,
geboren te A. op 16 september 1959,
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 17, 18, 19, 23 en 24 april 2001, 4 en 30 oktober 2001 en 3, 4, 6, 14 en 18 december 2001.
1. Telastelegging.
Aan verdachte is telastegelegd hetgeen staat omschreven in de dagvaarding, waarvan een kopie als bijlage aan dit vonnis is gehecht. De in die dagvaarding vermelde telastelegging geldt als hier ingevoegd, met dien verstande dat de rechtbank ter terechtzitting van 18 april 2001 de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 en 2 telastegelegde partieel nietig heeft verklaard, namelijk waar steeds in subsidiaire zin is telastegelegd dat verdachte het desbetreffende goed "anders dan door misdrijf onder zich had".
2. Voorvragen.
De geldigheid van de dagvaarding.
De raadslieden hebben betoogd dat het onder 1 subsidiair en 2 subsidiair ten laste gelegde nietig is. Gelet op de in deze zaak te nemen beslissing heeft verdachte geen belang meer bij dit verweer, zodat de rechtbank dit buiten bespreking laat.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
De raadslieden hebben op verscheidene gronden betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk in zijn vervolging zou moeten worden verklaard. Gelet op de hierna te nemen beslissing heeft verdachte ook bij deze verweren geen belang meer, zodat de rechtbank deze onbesproken zal laten.
3. Waardering van het bewijs.
De rechtbank acht al hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de rechtbank bevatten de stukken van het voorbereidend onderzoek reeds onvoldoende feiten en omstandigheden om jegens verdachte ter zake van de hem bij dagvaarding ten laste gelegde feiten een redelijk vermoeden van schuld als bedoeld in artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering te wettigen. Het onderzoek ter terechtzitting heeft niet tot een andere conclusie gevoerd.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
4. Beslissing:
Verklaart het onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair, 2 subsidiair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. E.J. van Schaardenburg-Louwe Kooijmans, voorzitter,
mrs. Th.H. Lind en A.V.T. de Bie, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. C.B. de Vroom-Lenssen, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 21 december 2001.