ECLI:NL:RBAMS:2002:AE3359
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- G.M. van Dijk
- R.A. Sipkens
- R. de Ruijter
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel na vrijspraak
De rechtbank Amsterdam behandelde op 29 mei 2002 een ontnemingszaak tegen verdachte, die eerder op die dag in de strafzaak werd vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten. De officier van justitie had een vordering ingediend tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, aanvankelijk gesteld op bijna 1,9 miljoen gulden, later verlaagd tot circa €380.851,31.
Tijdens de zittingen op 3 en 4 december 2001, 18 januari 2002, 4 februari 2002 en 14 en 15 mei 2002 werd het bewijs en de vordering besproken. De rechtbank heeft ook ambtshalve kennisgenomen van het vonnis van vrijspraak in de strafzaak tegen verdachte.
Gelet op de vrijspraak van verdachte in de strafzaak, heeft de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen. De rechtbank oordeelde dat zonder veroordeling geen grondslag bestaat voor ontneming.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer 'Geldnet' van de rechtbank Amsterdam, met mr. G.M. van Dijk als voorzitter en mrs. R.A. Sipkens en R. de Ruijter als rechters, in aanwezigheid van griffier mr. S.M. van der Veer.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel af na vrijspraak van verdachte.