ECLI:NL:RBAMS:2002:AE8239
Rechtbank Amsterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Toelaatbaarheid uitlevering verdachte medeplichtigheid voorbereiding medeplegen moord ETA
De rechtbank Amsterdam behandelde op 1 oktober 2002 het verzoek tot uitlevering van J.R.R.F., geboren in Barcelona, Spanje, verdacht van betrokkenheid bij het 'Commando Gorbea' van de terroristische organisatie ETA. Het verzoek betrof medeplichtigheid aan voorbereiding van medeplegen moord, met name het verschaffen van informatie over mogelijke doelwitten en het contact onderhouden met ETA.
De verdediging voerde aan dat het bewijs ontoereikend was en dat uitlevering zou leiden tot schending van artikel 3 EVRM Pro en het Verdrag tegen Foltering, met name vanwege de praktijk van 'incommunicado'-detentie in Spanje. De rechtbank oordeelde dat het uitleveringsverzoek voor de feiten a) en b) (informatieverschaffing en voorbereiding moord) toelaatbaar was, maar het verzoek voor het feit c) (contactpersoon ETA) ontoelaatbaar wegens onvoldoende bewijs.
De rechtbank verwierp het verweer dat de verklaring van een gemartelde getuige het bewijs zou ondermijnen, verwijzend naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de mogelijkheid van beroep binnen de Spaanse en Europese rechtsorde. Ook werd geoordeeld dat het risico op foltering of onmenselijke behandeling niet aannemelijk was, mede omdat voorlopige hechtenis met onbeperkt contact met de buitenwereld was bevolen.
De rechtbank verklaarde de uitlevering toelaatbaar voor medeplichtigheid aan voorbereiding van medeplegen moord, en gelastte de overdracht van in beslag genomen goederen. Het deel van het verzoek dat betrekking had op het contactpersoon-zijn voor ETA werd afgewezen wegens ongenoegzaamheid van stukken.
Uitkomst: Uitlevering van J.R.R.F. wordt toelaatbaar verklaard voor medeplichtigheid aan voorbereiding van medeplegen moord, maar ontoelaatbaar voor het contactpersoon-zijn wegens ongenoegzaamheid van stukken.